- Bezit
- Het in handen hebben van een goed, ongeacht of je de eigenaar bent.
- Centrale Bank
- Een bank die zich bezighoudt met prijsstabilisatie, veilig betalingsverkeer en toezicht houdt op commerciële banken.
- Chartaal geld
- Alle munten en bankbiljetten; geld dat fysiek aanraakbaar is.
- Chartale kredietverlening
- Kredietverlening waarbij een bank fysiek geld (chartaal geld) uitleent aan klanten.
- Debiteuren (bank)
- Klanten die een lening hebben bij de bank, geld waar de bank nog recht op heeft.
- Directe ruil
- Het ruilen van het ene goed voor het andere goed, zonder gebruik van geld.
- Eigen vermogen (bank)
- Het tegoed van de eigenaren van de bank.
- Eigendomsrecht
- Het juridische recht om eigenaar te zijn van een goed en daarmee te doen wat je wilt.
- Extrinsieke waarde
- De waarde die op het geld staat aangegeven.
- Fiduciair geld
- Geld dat wordt vertrouwd door de gebruikers, omdat men afgesproken heeft dat het een bepaalde waarde vertegenwoordigt.
- Fiducie
- Het vertrouwen dat gebruikers hebben in de waarde van geld.
- Geldschepping
- Het proces waarbij de maatschappelijke geldhoeveelheid toeneemt, bijvoorbeeld door leningen van banken aan het publiek.
- Geldvernietiging
- Het proces waarbij de maatschappelijke geldhoeveelheid afneemt, bijvoorbeeld door het aflossen van leningen of sparen.
- Giraal geld
- Al het geld dat op een bankrekening staat.
- Girale kredietverlening
- Kredietverlening waarbij een bank het geleende bedrag op de betaalrekening van de klant stort, waardoor nieuw giraal geld ontstaat.
- Indirecte ruil
- Het ruilen met geld als betaalmiddel.
- Intrinsieke waarde
- De waarde van het materiaal waarvan geld gemaakt is.
- Liquide middelen (bank)
- Het geld dat een bank in kas heeft en het tegoed bij de Centrale Bank, direct inzetbaar voor betalingen.
- Liquiditeitspositie
- De verhouding van de liquide middelen van een bank ten opzichte van de totale kortlopende schulden.
- Oppotmiddel
- Een functie van geld, waarbij het bewaard kan worden voor later gebruik (spaarmiddel).
- Rekening-courant tegoeden
- Direct opeisbare tegoeden van klanten op hun betaalrekening bij een bank.
- Rekenmiddel
- Een functie van geld, waarbij het gebruikt wordt om de waarde van goederen en diensten te vergelijken.
- Rentemarge
- Het verschil tussen de rente die een bank ontvangt op uitgeleend geld en de rente die het betaalt op spaargeld.
- Ruilmiddel
- Een functie van geld, waarbij het gebruikt wordt om producten of diensten te ruilen.
- Substitutie
- Het omzetten van chartaal geld naar giraal geld of andersom.
- Transactiekosten
- Alle kosten die iemand maakt om tot een ruil te komen.
- Wet van Gresham
- De stelling 'bad money drives out good money', wat betekent dat geld met een lagere intrinsieke waarde in omloop blijft, terwijl geld met een hogere intrinsieke waarde wordt opgepot.