Welke 3 soorten directe belasting zijn er?
Leerdoelen
•Je kunt de drie soorten inkomsten voor de overheid beschrijven.
•Je kunt uitleggen wat het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel zijn, en wat het verschil hiertussen is.
De inkomsten van de overheid
De overheid heeft geld nodig om bijvoorbeeld scholen te bouwen, wegen te onderhouden en de zorg te betalen. Dit geld krijgt de overheid binnen via verschillende inkomstenbronnen. We kunnen de inkomsten van de overheid in drie groepen verdelen: directe belastingen, indirecte belastingen en niet-belastingontvangsten.
Directe belastingen
Directe belastingen zijn belastingen die bedrijven en consumenten rechtstreeks aan de Belastingdienst betalen. Er zit dus geen tussenpersoon tussen jou en de Belastingdienst.
•Inkomstenbelasting: dit betaal je over je salaris (je werk) of over je vermogen (spaargeld, beleggingen).
•Vennootschapsbelasting: dit is de belasting die bedrijven betalen over de winst die ze maken.
•Motorrijtuigenbelasting: deze belasting betaal je als je een auto bezit.

Indirecte belastingen
Indirecte belastingen betaal je niet rechtstreeks aan de belastingdienst. De belasting zit dan al in de prijs van een product of dienst. De winkelier of het bedrijf waar je iets koopt, draagt deze belasting vervolgens af aan de Belastingdienst.
•Btw (Belasting over de toegevoegde waarde): dit is de belasting die op de meeste producten en diensten zit, zoals de boodschappen die je in de supermarkt koopt.
•Accijns: dit zijn extra belastingen op producten die de overheid wil ontmoedigen, zoals alcohol en tabak.
•Bpm (Belasting van personenauto's en motorrijwielen): deze belasting betaal je bij de aankoop van een nieuwe auto.
Stel, je koopt boodschappen in de supermarkt. In de prijs van die boodschappen zit al een klein bedrag aan btw. Jij betaalt dit aan de supermarkt, en de supermarkt draagt het bedrag later af aan de Belastingdienst. Je betaalt de belasting dus 'indirect' via de winkel.

Niet-belastingontvangsten
De overheid ontvangt ook inkomsten uit andere bronnen, de niet-belastingontvangsten. Het belangrijkste voorbeeld hiervan zijn de sociale premies. Dit zijn bedragen die werknemers en werkgevers betalen om sociale voorzieningen zoals de WW (werkloosheidsuitkering) of de AOW (ouderdomspensioen) te financieren.
Belastingprincipes
Bij het heffen van belastingen gebruikt de overheid verschillende principes. De twee belangrijkste zijn het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel.
Draagkrachtbeginsel
Het draagkrachtbeginsel stelt dat hoe meer inkomen of vermogen iemand heeft, hoe meer belasting diegene moet betalen. Dit principe zorgt ervoor dat mensen met een hoger inkomen naar verhouding een groter deel van hun inkomen aan belasting afdragen dan mensen met een lager inkomen. Dit geldt vooral voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting.
Een belangrijk gevolg hiervan is dat de inkomensverschillen tussen mensen na het heffen van belasting kleiner worden. De overheid probeert hiermee de welvaart eerlijker te verdelen.
•Bij het draagkrachtbeginsel gaat het erom dat je meer betaalt als je meer kunt betalen (oftewel: meer inkomen hebt).
Profijtbeginsel
Het profijtbeginsel houdt in dat je alleen belasting betaalt voor iets waar je gebruik van maakt of waar je profijt van hebt. Als je ergens geen gebruik van maakt, hoef je er ook geen belasting voor te betalen.
Een voorbeeld hiervan is de motorrijtuigenbelasting, ook wel wegenbelasting genoemd. Deze belasting betaal je alleen als je een auto hebt en dus gebruikmaakt van het wegennet. Als je geen auto bezit, betaal je deze belasting ook niet. Je hebt immers geen profijt van de auto en de wegen op die manier.
•Bij het profijtbeginsel betaal je belasting als je ergens gebruik van maakt.













