IS-MB-GA | Keynesiaans kruis

IS-MB-GA | Keynesiaans kruis

Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 14:10
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Oefenen
Examentraining

Test je kennis met de examenvraag die aan dit onderwerp is gekoppeld.

Open vraag

Wat wordt bedoeld met het Keynesiaans kruis en wat geeft het snijpunt van de lijnen weer?

Samenvatting

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat het Keynesiaans kruis is.

Je kunt uitleggen waardoor de effectieve vraag (EV) verandert.

Je kunt de vormen van autonome bestedingen noemen.

Je kunt de consumptiequote berekenen.

Je kunt uitleggen wat het multipliereffect is.

Je kunt de multiplier berekenen.

Je kunt uitleggen welke lekken er zijn in de economie.

Het Keynesiaans kruis

Het Keynesiaans kruis is een belangrijk macro-economisch model dat de effectieve vraag in verhouding tot het inkomen weergeeft. De effectieve vraag is de totale vraag in een land naar alle producten en diensten die daar worden geproduceerd. Dit model gaat uit van een gesloten economie, wat betekent dat er geen rekening gehouden wordt met import en export. Hierdoor is het nationaal inkomen (Y) gelijk aan de som van consumptie (C), investeringen (I) en overheidsbestedingen (O).

Dit geeft de formule:.

Aangezien de effectieve vraag gelijk is aan Y, geldt ook:

De consumptie in een land stijgt als het besteedbaar inkomen van consumenten toeneemt, of als de autonome consumptie stijgt. Investeringen in dit specifieke model zijn autonoom, wat betekent dat ze niet direct afhangen van het inkomen. Het Keynesiaans kruis geeft uiteindelijk het evenwicht weer tussen de totale bestedingen en het nationaal inkomen bij een gegeven rente en inflatie. Een fundamenteel principe in de economie is dat de bestedingen van de één automatisch het inkomen van een ander zijn.

Ook spelen psychologische factoren een rol:

Bij optimisme onder consumenten zal er meer autonoom geconsumeerd worden.

Bij vertrouwen onder producenten zal er meer geïnvesteerd worden.

Bij pessimisme geldt het tegenovergestelde.

Als de goederenmarkt in evenwicht is, is ook de vermogensmarkt in evenwicht, wat betekent dat besparingen (S) gelijk zijn aan investeringen plus het overheidssaldo (I + (O - B), waarbij B de overheidsontvangsten uit belastingen zijn).

Visualisatie van het Keynesiaans kruis

In de grafiek geeft de zwarte 45-gradenlijn vanaf de oorsprong aan waar de effectieve vraag en het inkomen aan elkaar gelijk zijn . De paarse bestedingslijn volgt de formule . Deze lijn begint niet in de oorsprong, maar iets daarboven. Dit komt door de aanwezigheid van autonome bestedingen.

Het punt waar de paarse bestedingslijn de zwarte evenwichtslijn kruist, is het evenwichtspunt (). Hier zijn de totale bestedingen gelijk aan het totale inkomen dat in een land wordt verdiend.

Rechts van het evenwicht (kruispunt) is het inkomen (Y) hoger dan de bestedingen (EV), waardoor bedrijven meer produceren dan er gevraagd wordt, en dat leidt tot ongeplande voorraadvorming.

Aan de linkerkant van het kruispunt (waar de bestedingslijn boven de 45-gradenlijn ligt) is de inkomensgroei hoger dan de bestedingen, wat kan leiden tot tekorten en vraag die niet direct bevredigd kan worden.

Grafiek 1: het Keynesiaanse kruis, met de effectieve vraag op de y-as en het inkomen op de x-as.
Grafiek 1: het Keynesiaanse kruis, met de effectieve vraag op de y-as en het inkomen op de x-as.

Autonome bestedingen

Autonome bestedingen zijn uitgaven die niet direct afhankelijk zijn van de hoogte van het nationaal inkomen. Ze zijn een belangrijke oorzaak van de start van de bestedingslijn boven de oorsprong in het Keynesiaans kruis. Er zijn verschillende vormen van autonome bestedingen:

Autonome consumptie: dit is consumptie die plaatsvindt, zelfs als er geen inkomen is. Het verandert door factoren als consumentenvertrouwen, maar niet door het inkomen zelf.

Autonome investeringen: deze investeringen zijn afhankelijk van factoren zoals de rentestand. Een hogere rente maakt lenen duurder, wat leidt tot minder investeringen, terwijl een lagere rente meer investeringen stimuleert.

Autonome overheidsbestedingen: dit zijn uitgaven van de overheid die voortkomen uit politiek beleid, zoals investeringen in infrastructuur of subsidies, en zijn niet direct gekoppeld aan het nationaal inkomen.

Veranderingen in het Keynesiaans kruis

Het Keynesiaans kruis kan op twee manieren veranderen: door een verschuiving langs de bestedingslijn of door een verschuiving van de bestedingslijn zelf.

Verschuiving langs de bestedingslijn

Een verandering van het inkomen leidt tot een verschuiving langs de bestedingslijn. Als het inkomen toeneemt, bewegen we naar rechts op de horizontale as en daarmee omhoog langs de bestedingslijn. Je zult zien dat de toename van het inkomen (horizontale as) groter is dan de toename van de effectieve vraag (verticale as). Dit komt doordat consumenten van hun extra inkomen ook belasting moeten betalen en een deel zullen sparen, waardoor niet elke extra verdiende euro volledig wordt geconsumeerd.

Grafiek 2: een verschuiving langs de bestedingslijn.
Grafiek 2: een verschuiving langs de bestedingslijn.

Verschuiving van de bestedingslijn

Een verandering van de autonome bestedingen (bijvoorbeeld een stijging van het consumentenvertrouwen leidend tot hogere autonome consumptie) zorgt voor een verschuiving van de bestedingslijn omhoog. Hierdoor ontstaat een nieuw evenwicht. Ook hier geldt dat de verandering op de horizontale as (inkomen) groter is dan de verandering op de verticale as (effectieve vraag). De effectieve vraag stijgt met minder dan dat het inkomen stijgt. Dit benadrukt nogmaals dat een deel van het extra inkomen niet direct wordt uitgegeven.

Grafiek 3: een verschuiving van de bestedingslijn.
Grafiek 3: een verschuiving van de bestedingslijn.

De marginale consumptiequote (c)

Hoeveel van een extra verdiende euro daadwerkelijk wordt uitgegeven, wordt weergegeven door de marginale consumptiequote (c). Dit is het percentage van het extra inkomen dat consumenten extra uitgeven. De formule om de marginale consumptiequote te berekenen is:

\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen (ΔY)}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen (ΔY}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen (Δ}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen (Δ}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen (}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen }\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkomen}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkome}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inkom}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van inko}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van ink}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van in}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van i}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van }\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering vani}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering van}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering va}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering v}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering }\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verandering}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / veranderin}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / veranderi}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verander}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verande}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / verand}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / veran}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / vera}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / ver}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / ve}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / v}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / }\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / V}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / Ve}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / Ver}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / Ve}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / V}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) / }\text{c = verandering van consumptie (ΔC) /}\text{c = verandering van consumptie (ΔC) }\text{c = verandering van consumptie (ΔC)}\text{c = verandering van consumptie (ΔC}\text{c = verandering van consumptie (Δ}\text{c = verandering van consumptie (Δ}\text{c = verandering van consumptie (}\text{c = verandering van consumptie }\text{c = verandering van consumptie}\text{c = verandering van consumpti}\text{c = verandering van consumpt}\text{c = verandering van consump}\text{c = verandering van consum}\text{c = verandering van consu}\text{c = verandering van cons}\text{c = verandering van con}\text{c = verandering van co}\text{c = verandering van c}\text{c = verandering van }\text{c = verandering van}\text{c = verandering va}\text{c = verandering v}\text{c = verandering }\text{c = verandering}\text{c = veranderin}\text{c = veranderi}\text{c = verander}\text{c = verande}\text{c = verand}\text{c = veran}\text{c = vera}\text{c = ver}\text{c = ve}\text{c = v}\text{c = }\text{c =}\text{c }\text{c}

Rekenvoorbeeld 1: marginale consumptiequote

Grafiek 4: het Keynesiaanse kruis.
Grafiek 4: het Keynesiaanse kruis.

Stel, de bestedingslijn begint bij autonome bestedingen van 250 miljard euro. In het evenwicht bedragen de bestedingen 700 miljard euro en is het inkomen ook 700 miljard euro.

De verandering van de consumptie (ΔC) is dan 700 - 250 = 450 miljard euro.

De verandering van het inkomen (ΔY) is 700 - 0 = 700 miljard euro.

De marginale consumptiequote (c) = 450 / 700 ≈ 0,714. Dit betekent dat 71,4% van een extra verdiende euro wordt geconsumeerd.

Rekenvoorbeeld 2: marginale consumptiequote

Grafiek 5: het Keynesiaanse kruis.
Grafiek 5: het Keynesiaanse kruis.

Stel, de bestedingslijn begint weer bij 250 miljard euro. In het evenwicht zijn de bestedingen 500 miljard euro en het inkomen ook 500 miljard euro.

De verandering van de consumptie (ΔC) is 500 - 250 = 250 miljard euro.

De verandering van het inkomen (ΔY) is 500 - 0 = 500 miljard euro.

De marginale consumptiequote (c) = 250 / 500 = 0,5. Dit betekent dat 50% van een extra verdiende euro wordt geconsumeerd.

Het multipliereffect is ook te berekenen met behulp van de marginale consumptie. De verhoging van de autonome bestedingen leidt tot 2x zoveel inkomen. Hier is de multiplier 2.

Het multipliereffect

Het multipliereffect (multiplier betekent 'vermenigvuldiger') beschrijft hoe een toename van autonome bestedingen of marginale consumptiequote leidt tot een grotere toename van de totale bestedingen en het inkomen in een land. Het effect van de toename is groter dan de oorspronkelijke besteding zelf. Een initiële impuls, zoals een overheidsinvestering, wordt als het ware door de economie "vermenigvuldigd".

Afbeelding 1: een schematische weergave van het multipliereffect.
Afbeelding 1: een schematische weergave van het multipliereffect.

Stel je voor dat de overheid €50 miljard investeert in een nieuwe snelweg. Het uiteindelijke effect op het totale inkomen kan veel groter zijn, bijvoorbeeld €70 miljard. Hoe werkt dit?

1.Een toename van de bestedingen zorgt voor een hoger inkomen. De €50 miljard die de overheid uitgeeft, is inkomen voor de bedrijven die de snelweg bouwen en hun werknemers.

2.Deze bedrijven en werknemers zullen een deel van dit extra inkomen op hun beurt weer uitgeven, bijvoorbeeld in de supermarkt.

3.Dit extra geld dat zij uitgeven, wordt weer inkomen voor andere bedrijven en hun werknemers (denk aan de supermarktmedewerkers).

4.Deze nieuwe inkomensontvangers geven óók weer een deel van hun extra inkomen uit.

Dit proces herhaalt zich keer op keer, waardoor de oorspronkelijke besteding steeds opnieuw door de economie circuleert en een steeds groter totaal inkomen genereert.

De multiplier berekenen

De multiplier (k) kan worden berekend door de totale verandering van het inkomen te delen door de initiële verandering van de autonome bestedingen. Formule:

\text{k=verandering van Y(ΔY)/verandering van autonome effectieve vraag(ΔEV autonoom)}\text{k= verandering van Y(ΔY)/verandering van autonome effectieve vraag(ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y(ΔY)/verandering van autonome effectieve vraag(ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y (ΔY)/verandering van autonome effectieve vraag(ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y (ΔY) /verandering van autonome effectieve vraag(ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag(ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag (ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag ΔEV autonoom)}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag ΔEV autonoom}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag ΔEV autonoom}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag }\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraag}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vraa}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vra}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve vr}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve v}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve }\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectieve}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectiev}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effectie}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effecti}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effect}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effec}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome effe}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome eff}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome ef}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome e}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome }\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonome}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autonom}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van autono}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van auton}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van auto}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van aut}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van au}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van a}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van }\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering van}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering va}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering v}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering }\text{k = verandering van Y (ΔY) / verandering }\text{k = verandering van Y (ΔY) / veranderin}\text{k = verandering van Y (ΔY) / veranderi}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verander}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verande}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verand}\text{k = verandering van Y (ΔY) / veran}\text{k = verandering van Y (ΔY) / vera}\text{k = verandering van Y (ΔY) / verad}\text{k = verandering van Y (ΔY) / vera}\text{k = verandering van Y (ΔY) / ver}\text{k = verandering van Y (ΔY) / ve}\text{k = verandering van Y (ΔY) / v}\text{k = verandering van Y (ΔY) / }\text{k = verandering van Y (ΔY) /}\text{k = verandering van Y (ΔY) }\text{k = verandering van Y (ΔY)}\text{k = verandering van Y (ΔY}\text{k = verandering van Y (Δ}\text{k = verandering van Y (ΔE}\text{k = verandering van Y (ΔEV}\text{k = verandering van Y (ΔEV }\text{k = verandering van Y (ΔEV a}\text{k = verandering van Y (ΔEV a}\text{k = verandering van Y (ΔEV au}\text{k = verandering van Y (ΔEV aut}\text{k = verandering van Y (ΔEV auto}\text{k = verandering van Y (ΔEV auton}\text{k = verandering van Y (ΔEV autono}\text{k = verandering van Y (ΔEV autonoo}\text{k = verandering van Y (ΔEV autonoom}\text{k = verandering van Y (ΔEV autonoom}\text{k = verandering van Y (}\text{k = verandering van Y }\text{k = verandering van Y}\text{k = verandering van }\text{k = verandering van y}\text{k = verandering van y }\text{k = verandering van y (}\text{k = verandering van y (=}\text{k = verandering van y (}\text{k = verandering van y }\text{k = verandering van y}\text{k = verandering van }\text{k = verandering van u}\text{k = verandering van }\text{k = verandering van}\text{k = verandering va}\text{k = verandering v}\text{k = verandering }\text{k = verandering}\text{k = veranderin}\text{k = veranderi}\text{k = verander}\text{k = verande}\text{k = verand}\text{k = veran}\text{k = vera}\text{k = ver}\text{k = ve}\text{k = v}\text{k = }\text{k =}\text{k }\text{k -}\text{k - }\text{k -}\text{k }\text{k}\text{k-}\text{k}

Laten we het rekenvoorbeeld van de marginale consumptiequote van 0,5 opnieuw gebruiken:

ΔY (het inkomen in evenwicht) = .

ΔEV autonoom (de start van de bestedingslijn) = .

Dit betekent dat de autonome bestedingen leiden tot twee keer zoveel inkomen. Over het algemeen geldt: hoe hoger de marginale consumptiequote, hoe groter de multiplier, omdat er dan een groter deel van het extra inkomen steeds opnieuw wordt uitgegeven.

Lekken in de economie

Het multipliereffect wordt afgezwakt door zogenaamde "lekken" in de economie. Dit zijn factoren die ervoor zorgen dat niet elke euro van extra inkomen opnieuw wordt uitgegeven in de binnenlandse economie. De belangrijkste lekken zijn:

Spaarlek: dit is het deel van het extra inkomen dat consumenten sparen in plaats van uitgeven. Het wordt bepaald door de marginale spaarquote: hoeveel van mijn extra inkomen leg ik opzij? Hoe meer mensen sparen, hoe kleiner de multiplier.

Belastinglek: dit is het deel van het extra inkomen dat consumenten aan de belastingdienst moeten afdragen. Het wordt bepaald door de marginale belastingquote: hoeveel van mijn extra inkomen moet ik betalen aan belasting? Hoe hoger de belastingdruk, hoe kleiner de multiplier.

Deze lekken zorgen ervoor dat geld uit de economische kringloop verdwijnt (in ieder geval tijdelijk), waardoor de keten van bestedingen en inkomens minder sterk doorwerkt en het uiteindelijke effect van de multiplier kleiner is.

De multiplier aflezen in een grafiek

Je kunt de grootte van de multiplier ook aflezen in een Keynesiaans kruis, zelfs zonder concrete getallen.

De regel is: hoe steiler de bestedingslijn, hoe groter de multiplier.

Een steilere lijn betekent namelijk dat een groter deel van een inkomensverandering wordt omgezet in een verandering van de effectieve vraag (een hogere marginale consumptiequote).

Dit kun je op twee manieren zien:

1.Als je bij een vast inkomen (Y*) de effectieve vraag (EV) op de verticale as vergelijkt voor twee lijnen, zal de steilere lijn (Y1) een hogere effectieve vraag laten zien dan de minder steile lijn (Y2). Dit duidt op een sterkere consumptiebereidheid en dus een grotere multiplier.

Grafiek 6: het multipliereffect bij twee marginale consumptiequotes: hoe steiler de bestedingslijn, hoe groter de multiplier en hoe hoger het evenwichtsinkomen Y*.
Grafiek 6: het multipliereffect bij twee marginale consumptiequotes: hoe steiler de bestedingslijn, hoe groter de multiplier en hoe hoger het evenwichtsinkomen Y*.

2. Als je de autonome bestedingen verhoogt (de bestedingslijn dus omhoog schuift), zal het nieuwe evenwichtspunt op de horizontale inkomen-as bij de steilere lijn (Y1) veel verder opschuiven dan bij de minder steile lijn (Y2). Dit illustreert direct dat dezelfde initiële impuls een grotere inkomensgroei teweegbrengt bij een hogere multiplier.

Grafiek 7: bij een hogere marginale consumptiequote (steilere lijn Y¹) leidt dezelfde toename van de autonome bestedingen tot een groter evenwichtsinkomen Y* dan bij de minder steile lijn Y².
Grafiek 7: bij een hogere marginale consumptiequote (steilere lijn Y¹) leidt dezelfde toename van de autonome bestedingen tot een groter evenwichtsinkomen Y* dan bij de minder steile lijn Y².
Bekijk ook
4,8

Voeg je bij ruim 80.000 leerlingen die al leren met JoJoschool

Helemaal compleet!

Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!

Heel overzichtelijk

Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.

Beter dan YouTube

Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

Waarom kies je voor JoJoschool?

Hoger scoren

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Betaalbaar en beter

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

Sneller begrijpen

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.

Ontdek JoJoschool 🎁

Met ons overzichtelijke platform vol met lessen en handige tools heb je alles voor school binnen handbereik. Maak je account aan en ervaar het zelf!

“Door JoJoschool kan ik makkelijker en beter leren” - Anne, 3 havo
Cookies
Meer uitleg

Om deze website goed te laten werken plaatsen we functionele cookies. We plaatsen analytische cookies om te bepalen welke onderdelen van de website het meest interessant zijn voor bezoekers. We plaatsen marketing cookies om de effectiviteit van onze campagnes te kunnen meten.