Economische kringloop

Economische kringloop

Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 17:09
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Oefenen
Open vraag

Leg uit dat het nationaal inkomen gelijk is aan de som van de toegevoegde waarde 

Samenvatting

Leerdoelen

Je kunt uitleggen hoe geld en goederen als een kringloop door onze economie stromen.

Je kunt de verschillende macro-economische identiteiten benoemen en afleiden.

De economische kringloop

Doorstroming in de economie

De economische kringloop is een cyclus die ervoor zorgt dat geld en goederen blijven 'rollen'. Wanneer er wordt geproduceerd, krijgen mensen werk en ontvangen zij een inkomen. Dit inkomen wordt vervolgens gebruikt om te besteden, bijvoorbeeld door spullen te kopen. Door deze bestedingen moet er meer geproduceerd worden, waardoor de productie weer stijgt. De hogere productie leidt opnieuw tot inkomen voor arbeiders, wat weer bestedingen stimuleert, en zo blijft de cyclus doorgaan. Deze constante beweging van productie, inkomen en bestedingen vormt de basis van de economische kringloop.

Twee soorten kringlopen

Er zijn twee hoofdtypen kringlopen die samen de economische activiteit weergeven:

De reële kringloop: deze kringloop visualiseert de stromen van goederen en diensten. Het gaat hierbij om de fysieke producten en diensten die tussen de verschillende sectoren in de economie bewegen.

De financiële kringloop: deze kringloop concentreert zich op de geldstromen in de economie. Het toont hoe geld beweegt tussen de verschillende partijen.

Beide kringlopen beschouwen de interactie tussen dezelfde sectoren: gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland. Het is belangrijk dit onderscheid goed te onthouden.

De spelers in de kringloop

In de economische kringloop zijn er verschillende partijen die een rol spelen:

Gezinnen: dit zijn de consumenten en de arbeiders in de economie. Ze werken bij bedrijven of de overheid en consumeren bij bedrijven of in het buitenland.

Bedrijven: dit zijn de productieorganen van de economie. Ze produceren goederen en diensten voor gezinnen, de overheid en het buitenland. Ze betalen salarissen en betalen (eventueel) belasting over hun winst.

Overheid: de overheid produceert voornamelijk diensten (denk aan onderwijs, zorg, infrastructuur). Ze betaalt subsidies, uitkeringen en lonen aan haar werknemers, en int belastingen van gezinnen en bedrijven. De overheid koopt ook goederen en diensten in bij bedrijven.

Buitenland: dit omvat gezinnen, bedrijven en overheden buiten onze eigen landsgrenzen. Geld en goederen stromen heen en weer door middel van import en export, en bijvoorbeeld toerisme.

Financiële instellingen (zoals banken): deze fungeren als 'smeermiddel' voor de economie. Bij een geldtekort kunnen partijen hier lenen, en bij een overschot kunnen ze hier sparen.

Micro- en macro-economische beslissingen

Individuele beslissingen hebben invloed op de grotere economie:

Microniveau: op dit niveau nemen gezinnen en bedrijven beslissingen voor zichzelf in hun eigen kleine economische omgeving. Bijvoorbeeld, ga ik mijn salaris volledig uitgeven of een deel sparen? Deze beslissingen bepalen hoe productiefactoren (kapitaal, arbeid, natuur, ondernemerschap) worden ingezet.

Macroniveau: alle kleine economische beslissingen samen hebben invloed op de macro-economische situatie van een heel land. Dit is de economische situatie op nationaal niveau.

De financiële kringloop uitgebreid

Laten we de financiële kringloop, die de geldstromen weergeeft, verder uitbreiden.

Basis

De eenvoudigste financiële kringloop begint met gezinnen, bedrijven en de overheid:

Gezinnen consumeren: geld stroomt van gezinnen naar bedrijven als betaling voor producten.

Bedrijven betalen inkomen: geld stroomt van bedrijven naar gezinnen (lonen en salarissen).

Gezinnen betalen belasting: geld stroomt van gezinnen naar de overheid.

Overheid betaalt gezinnen: geld stroomt van de overheid naar gezinnen (uitkeringen, salarissen van overheidsmedewerkers).

Overheid besteedt: geld stroomt van de overheid naar bedrijven (voor de inkoop van goederen en diensten).

Uitbreiding 1: het buitenland

Het buitenland voegt geldstromen toe via import en export:

Import: bedrijven kopen goederen en diensten uit het buitenland. De geldstroom gaat van bedrijven naar het buitenland (betaling).

Export: bedrijven verkopen goederen en diensten aan het buitenland. De geldstroom gaat van het buitenland naar bedrijven (ontvangst).

Uitbreiding 2: financiële instellingen

Financiële instellingen (banken) vervolledigen de kringloop:

Sparen gezinnen: gezinnen consumeren niet al hun inkomen, een deel gaat als besparingen naar de financiële instellingen.

Investeringen bedrijven: bedrijven hebben geld nodig voor investeringen (bijvoorbeeld nieuwe machines). Dit lenen zij bij financiële instellingen, dus de geldstroom gaat van financiële instellingen naar bedrijven.

Overheid en financiële instellingen: de overheid kan geld lenen bij financiële instellingen bij een tekort, of geld stallen bij een overschot. De pijl kan dus beide kanten op gaan.

Buitenland en financiële instellingen: ook het buitenland kan geld lenen of sparen bij financiële instellingen, afhankelijk van hun handelsbalans. Ook hier kan de pijl beide kanten op gaan.

Symbolen en afkortingen

Om de kringloop overzichtelijk te houden, gebruiken we letters voor de geldstromen:

Y: nationaal inkomen (bestaat uit inkomen van bedrijven en salarissen van overheidsmedewerkers).

C: consumptie (bestedingen van gezinnen aan bedrijven).

B: belastingen (betalingen van gezinnen aan de overheid).

O: overheidsbestedingen (uitgaven van de overheid aan personeel en commerciële goederen/diensten).

I: investeringen (leningen van bedrijven bij financiële instellingen).

S: besparingen (geld dat gezinnen opzijzetten bij financiële instellingen).

E: export (ontvangsten van bedrijven uit het buitenland).

M: import (betalingen van bedrijven aan het buitenland).

Belangrijke saldi

Vanuit de kringloop kunnen we belangrijke saldi afleiden:

Het overheidssaldo: dit is het verschil tussen de overheidsontvangsten (belastingen, B) en overheidsuitgaven (overheidsbestedingen, O). Dit wordt weergegeven als B - O.

Is B - O positief, dan houdt de overheid geld over en stroomt geld naar financiële instellingen.

Is B - O negatief, dan komt de overheid geld tekort en leent zij van financiële instellingen.

Het handelssaldo (of saldo op de lopende rekening): dit is het verschil tussen export (E) en import (M). Dit wordt weergegeven als E - M.

Is E - M positief, dan ontvangt het land meer geld van het buitenland dan het uitgeeft (het buitenland komt geld tekort).

Is E - M negatief, dan geeft het land meer geld uit aan het buitenland dan het ontvangt (het buitenland houdt geld over).

Macro-economische identiteiten

Uit de financiële kringloop kunnen we verschillende macro-economische identiteiten afleiden. Een belangrijk principe is dat "alles wat erin komt, moet er ook weer uit". Dit geldt voor elke sector.

Identiteit 1: de gezinnen

Voor de sector gezinnen geldt dat het totale inkomen (Y) op drie manieren wordt besteed: Y = C + B + S

Y: inkomen van gezinnen.

C: deel dat wordt geconsumeerd (besteed aan bedrijven).

B: staat voor de totale belastingontvangsten van de overheid (van gezinnen én bedrijven).

S: deel dat wordt gespaard (bij financiële instellingen).

Identiteit 2: de bedrijven

Voor de sector bedrijven geldt dat het nationale inkomen (Y) dat zij genereren gelijk is aan het totaal van de bestedingen: Y = C + I + O + E - M

Y: nationaal inkomen (gelijk aan de totale productie of bestedingen).

C: consumptie (bestedingen van gezinnen aan bedrijven).

I: staat voor de investeringsuitgaven van bedrijven in kapitaalgoederen.

O: overheidsbestedingen (bestedingen van de overheid aan bedrijven).

E: export (bestedingen van het buitenland aan bedrijven).

M: import (bestedingen van bedrijven aan het buitenland; dit moet eraf, omdat het geld het land verlaat).

Deze identiteit geeft evenwicht op de goederenmarkt.

Identiteit 3: de afgeleide identiteit (siboeem)

De derde identiteit is een afgeleide van de eerste twee. Omdat beide identiteiten gelijk zijn aan Y, kunnen we ze aan elkaar gelijkstellen: C + B + S = C + I + O + E - M

Door de C, I en O te verplaatsen naar de linkerkant van de vergelijking (door ze aan beide kanten af te trekken), krijgen we: S - I + B - O = E - M

Deze identiteit wordt vaak onthouden met het ezelsbruggetje Siboeem.

Rekenvoorbeelden voor S-I+B-O=E-M

Laten we deze identiteit controleren met getallen:

Voorbeeld 1:

S (besparingen) = 100

I (investeringen) = 50

B - O (overheidssaldo) = -20 (overheidstekort)

E - M (handelssaldo) = 30

Invullen in de formule: S - I + B - O = 100 - 50 + (-20) = 50 - 20 = 30. Dit komt overeen met E - M = 30. De identiteit klopt.

Voorbeeld 2:

S - I (particulier spaarsaldo) = 50

B - O (overheidssaldo) = 20 (overheidsoverschot)

E - M (handelssaldo) = 70

Invullen in de formule: 50 + 20 = 70. Dit komt overeen met E - M = 70. De identiteit klopt.

Verbanden tussen saldi

De afgeleide identiteit toont belangrijke verbanden tussen macro-economische saldi:

S - I: dit is het particulier spaarsaldo (besparingen min investeringen van gezinnen en bedrijven).

B - O: dit is het overheidssaldo (belastingen min overheidsbestedingen).

E - M: dit is het saldo op de lopende rekening (export min import).

De identiteit S - I + B - O = E - M betekent dus dat het nationaal spaarsaldo (de som van het particulier spaarsaldo en het overheidssaldo) gelijk is aan het saldo op de lopende rekening.

Veelgestelde vragen
Bekijk ook
4,8

Voeg je bij ruim 80.000 leerlingen die al leren met JoJoschool

Helemaal compleet!

Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!

Heel overzichtelijk

Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.

Beter dan YouTube

Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

Waarom kies je voor JoJoschool?

Hoger scoren

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Betaalbaar en beter

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

Sneller begrijpen

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.

Ontdek JoJoschool 🎁

Met ons overzichtelijke platform vol met lessen en handige tools heb je alles voor school binnen handbereik. Maak je account aan en ervaar het zelf!

“Door JoJoschool kan ik makkelijker en beter leren” - Anne, 3 havo