Leg uit wat het verschil is tussen chartaal geld en giraal geld en geef van beide een voorbeeld.
Leerdoelen
•Je kunt het verschil tussen directe ruil en indirecte ruil uitleggen.
•Je kunt uitleggen welke functies van geld er zijn.
•Je kunt uitleggen wat de fiducie van geld inhoudt.
•Je kunt het verschil tussen chartaal geld en giraal geld beschrijven.
•Je kunt uitleggen hoe geldschepping en geldvernietiging plaatsvinden.
•Je kunt de liquiditeitspositie berekenen
•Je kunt uitleggen wat de rentemarge is.
Ruil: direct versus indirect
Voordat geld bestond, ruilden mensen goederen en diensten direct met elkaar uit. Dit is directe ruil. Bij directe ruil wordt er geen gebruik gemaakt van geld. Een voorbeeld hiervan is het ruilen van een koe voor een kip. Dit systeem had echter grote nadelen, want hoeveel kippen zijn evenveel waard als één koe? Het was lastig om de waarde van verschillende producten met elkaar te vergelijken en de juiste ruilpartner te vinden.
Om dit probleem op te lossen, werd geld uitgevonden. Hierdoor ontstond indirecte ruil, waarbij geld als betaalmiddel wordt gebruikt. In plaats van een koe direct voor een kip te ruilen, verkoop je de koe voor geld en gebruik je dat geld vervolgens om een kip te kopen.
De functies van geld
Geld heeft drie belangrijke functies in onze economie:
•Ruilmiddel: geld is een wettig betaalmiddel en kan worden gebruikt om goederen en diensten aan te schaffen.
•Rekenmiddel: geld stelt ons in staat om de waarde van verschillende producten en diensten met elkaar te vergelijken. Een trui kost bijvoorbeeld € 30 en een broek € 50. Door geld als rekenmiddel te gebruiken, kun je gemakkelijk de relatieve waarde van deze twee items bepalen.
•Oppotmiddel of spaarmiddel: geld kan worden bewaard voor later gebruik. Je hoeft het niet direct uit te geven, maar kunt het sparen voor toekomstige aankopen of als reserve.
De waarde van geld
Geld heeft in principe twee verschillende waardes:
•Intrinsieke waarde: dit is de waarde van het materiaal waaruit het geld is gemaakt. Vroeger, toen munten van goud en zilver werden gemaakt, had het geld een hoge intrinsieke waarde. Tegenwoordig wordt het gemaakt van materialen die zelf niet veel waard zijn. Een € 5-biljet heeft bijvoorbeeld een lage intrinsieke waarde, omdat het materiaal waaruit het is gemaakt veel minder waard is dan € 5.
•Extrinsieke waarde: dit is de waarde die op het geld staat gedrukt. Een biljet van € 5 heeft een extrinsieke waarde van € 5, simpelweg omdat dit bedrag erop staat. De intrinsieke waarde van geld zal nooit hoger zijn dan de extrinsieke waarde. Als het materiaal van een € 5-biljet meer waard zou zijn dan € 5, zou niemand het als € 5-biljet gebruiken, omdat je dan waardevermindering zou hebben.
Fiducie: het vertrouwen in geld
Geld wordt alleen door iedereen geaccepteerd als het fiduciair is. Dit betekent dat gebruikers vertrouwen hebben in de waarde van het geld. Dit vertrouwen is essentieel voor het functioneren van ons geldsysteem.
Fiducie in geld ontstaat door:
•een veilig banksysteem;
•technische eisen waaraan geld moet voldoen:
•het moet handzaam en duurzaam zijn (niet makkelijk scheuren of kapotgaan);
•het moet deelbaar zijn (verschillende munten en bankbiljetten voor diverse waardes);
•het moet niet eenvoudig na te maken zijn (om namaak te voorkomen en de waarde te garanderen).
Soorten geld: chartaal en giraal
•Chartaal geld: dit zijn alle munten en bankbiljetten die je fysiek kunt aanraken en in je portemonnee kunt stoppen.
•Giraal geld: dit is al het geld dat op bankrekeningen staat. Je ziet het wel op je afschrift, maar je kunt het niet aanraken.
Het omzetten van chartaal geld naar giraal geld (door geld te storten op je rekening) of andersom (door geld te pinnen) noemen we substitutie. De totale hoeveelheid geld verandert hierbij niet, alleen de vorm.
Transactiekosten en eigendom
Ruilen brengt altijd kosten met zich mee, de zogenaamde transactiekosten. Dit zijn alle kosten die iemand maakt om tot een ruil te komen. Denk hierbij aan:
•het vinden van een ruilpartner. Met geld is dit gemakkelijker, omdat iedereen geld wil;
•het tot stand komen van een ruilovereenkomst;
•het afhandelen van de ruil.
Om iets te kunnen ruilen, moet je er wel de eigenaar van zijn. Hierbij is het belangrijk om het verschil te kennen tussen eigendomsrecht en bezit.
•Eigendomsrecht: je bent juridisch de eigenaar van een goed en mag ermee doen wat je wilt (verkopen, weggeven, vernietigen).
•Bezit: je hebt een goed in handen of onder je controle, maar je hoeft er niet de eigenaar van te zijn. Als je bijvoorbeeld een boek leent van een vriend, heb je het wel in bezit, maar is het niet jouw eigendom.
Geldschepping en geldvernietiging
De hoeveelheid geld in omloop kan toenemen of afnemen.
•Geldschepping: dit vindt plaats wanneer er meer geld in handen van het publiek komt. Het publiek bestaat uit alle consumenten en bedrijven, met uitzondering van de banken. Als je bijvoorbeeld geld leent bij een bank, wordt er nieuw giraal geld op je rekening gezet. Dit geld was er nog niet in deze vorm en is nu beschikbaar voor consumptie, waardoor de maatschappelijke geldhoeveelheid toeneemt.
•Geldvernietiging: dit is het tegenovergestelde. Wanneer je geld spaart (zodat je het niet meer direct kunt uitgeven) of een lening aflost, is er minder geld direct beschikbaar voor het publiek. Dit zorgt ervoor dat de maatschappelijke geldhoeveelheid afneemt. Let op: geld op betaalrekeningen telt alleen mee als je er direct bij kunt. Spaarrekeningen tellen niet mee voor de maatschappelijke geldhoeveelheid, omdat dit geld is dat (relatief) vast staat.
Balans van een bank
Activa | Passiva | ||
|---|---|---|---|
Kas | € 100 | Rekening-courant tegoed | € 1.000 |
Tegoed bij de centrale bank | € 400 | Spaartegoeden en overige schulden | € 800 |
Debiteuren | € 500 | Eigen vermogen | € 700 |
Overige activa | € 1.500 | ||
Totaal | € 2.500 | Totaal | € 2.500 |
Belangrijke termen op de balans:
•Activa: dit zijn de bezittingen van de bank.
•Passiva: dit zijn de schulden en het eigen vermogen van de bank.
•Liquide middelen: dit is het geld dat de bank direct kan inzetten om rekeningen te betalen. Het omvat het geld in kas en het tegoed dat de bank heeft bij de Centrale Bank. In het voorbeeld: \euro100+\euro400=\euro500.\euro100(kas)+\euro400=\euro500.
•Rekening-courant tegoeden: dit zijn de direct opeisbare tegoeden van klanten, oftewel het geld dat op hun betaalrekeningen staat. Dit is een schuld van de bank aan haar klanten.
•Debiteuren: dit zijn klanten die geld hebben geleend van de bank. Het is geld waar de bank nog recht op heeft.
•Eigen vermogen: dit is het geld van de eigenaren van de bank zelf.
De liquiditeitspositie van een bank
Een bank hoeft niet al het geld dat klanten op hun rekening hebben staan, direct in kas te houden. Het is namelijk onwaarschijnlijk dat alle klanten tegelijkertijd hun geld zullen opvragen. Hoeveel een bank wel in kas moet houden, wordt bepaald door de liquiditeitspositie.
De liquiditeitspositie drukt de verhouding uit tussen de liquide middelen en de kortlopende schulden (vooral de direct opeisbare tegoeden van klanten) van een bank. Dit wordt vaak uitgedrukt in een percentage: het liquiditeitspercentage.
Berekening van het liquiditeitspercentage:
\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klanten}}\cdot100\%\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klanten}}\cdot100\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klanten}}\cdot10\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klanten}}\cdot1\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klanten}}\cdot\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klanten}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klante}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klant}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van klan}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van kla}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van kl}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van k}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van }}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden van}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden va}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden v}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden }}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoeden}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoede}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoed}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegoe}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tego}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare teg}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tege}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tegeo}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare tege}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare teg}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare te}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare t}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare }}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbare}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisbar}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisba}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeisb}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opeis}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct opei}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct ope}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct op}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct o}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct }}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direct}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Direc}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Dire}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Dir}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{Di}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\text{D}}\frac{\text{Liquide middelen}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide middele}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide middel}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide midde}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide midd}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide mid}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide mi}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide m}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide }}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquide}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liquid}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liqui}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liqu}}{\placeholder{}}\frac{\text{Liq}}{\placeholder{}}\frac{\text{Li}}{\placeholder{}}\frac{\text{L}}{\placeholder{}}\frac{}{\placeholder{}}\frac{L}{\placeholder{}}\frac{}{\placeholder{}}\frac{`}{\placeholder{}}\frac{\placeholder{}}{\placeholder{}}
Voorbeeld:
•Liquide middelen: € 500
•Direct opeisbare tegoeden van klanten (rekening-courant tegoeden): € 1.000
Liquiditeitspercentage = (\frac{\euro500}{\euro1.000})\times100\%=50\%(\frac{\euro500}{\euro1.000})\times100\%=50(\frac{\euro500}{\euro1.000})\times100=50(\frac{\euro500}{\placeholder{}})\times100=50(\frac{\euro500}{\placeholder{}}\euro1.000)\times100=50(\frac{\euro500/}{\placeholder{}}\euro1.000)\times100=50
Dit percentage is cruciaal voor banken. Er is vaak een wettelijk minimum liquiditeitspercentage waaraan banken moeten voldoen. Als het percentage te laag wordt, mag de bank geen geld meer uitlenen, wat de geldschepping beperkt.
Hoe banken geld scheppen: kredietverlening
Banken kunnen op twee manieren geld scheppen door middel van kredietverlening (het verstrekken van leningen):
1.Chartaal kredietverlening: hierbij leent de bank fysiek geld (chartaal geld) uit dat zij in kas heeft.
•Gevolg: de liquide middelen van de bank dalen, de debiteuren (uitstaande leningen) stijgen. Het balanstotaal blijft gelijk, maar de liquiditeitspositie verslechtert omdat de liquide middelen afnemen.
2.Giraal kredietverlening: dit is de meest voorkomende vorm van geldschepping. De bank stort het geleende bedrag direct op de betaalrekening van de klant. Dit geld creëert de bank "uit het niets" (binnen de grenzen van de liquiditeitspositie).
•Gevolg: de rekening-courant tegoeden (schulden aan klanten) stijgen, en de debiteuren (uitstaande leningen) stijgen. Ook het balanstotaal stijgt. Hierdoor neemt de maatschappelijke geldhoeveelheid toe. Dit is alleen mogelijk als de liquiditeitspositie van de bank dit toelaat (d.w.z. als het liquiditeitspercentage boven het wettelijk minimum ligt).
De rol van banken
In het financiële systeem zijn er twee hoofdtypen banken:
•De Centrale Bank: in de eurozone is dit de Europese Centrale Bank (ECB). De Centrale Bank heeft belangrijke taken:
•Prijsstabilisatie: zorgen voor een stabiele inflatie (niet te hoog, niet te laag).
•Veilig betalingsverkeer: toezicht houden op de correcte afhandeling van betalingen.
•Toezicht op commerciële banken: controleren of commerciële banken zich aan de regels houden, onder andere met betrekking tot hun liquiditeit.
•Commerciële banken (primaire banken): dit zijn de banken waar jij waarschijnlijk je betaalrekening hebt (zoals Rabobank, ASN, ING). Hun taken zijn:
•het bewaren van geld voor klanten;
•geldschepping door het uitlenen van geld aan het publiek (particulieren en bedrijven);
•het regelen van betalingen (bijvoorbeeld pinbetalingen, Tikkies);
•het handelen in vreemde valuta en waardepapieren (zoals staatsobligaties).
Hoe banken winst maken: de rentemarge
Banken verdienen geld door het hanteren van een rentemarge. Dit is het verschil tussen de rente die zij ontvangen van mensen die geld lenen, en de rente die zij betalen aan mensen die geld sparen.
Voorbeeld: Als jij geld leent bij de bank, betaal je bijvoorbeeld 4% rente over het geleende bedrag. De bank betaalt jou echter maar 0,5% rente over het geld dat jij op je spaarrekening hebt staan. De rentemarge van de bank is dan 4\%-0,5\%=3,5\%4\%-0,5\%=3,54\%-0,5\%=3,554\%-0,5\%=3,554\%-0,5\%=3,54\%-0,5=3,5













