Leerdoelen:
•Je kunt uitleggen hoe de overheid inkomens van primair, secundair en dan weer naar tertiair inkomen verdeelt.
•Je kunt uitleggen wat de Gini-coëfficiënt is.
•Je kunt uitleggen hoe het met de vermogensongelijkheid is gesteld.
Inkomensverdeling: primair, secundair en tertiair inkomen
Primair inkomen is het bruto inkomen dat je verdient voordat je belasting betaalt. Dit is het inkomen dat je ontvangt van je werkgever als loon, of uit winst van ondernemen. Vaak is het primaire inkomen ongelijk verdeeld: sommige mensen verdienen veel meer dan anderen.
Secundair inkomen is het netto inkomen, dus nadat je belasting hebt betaald en eventueel ontvangen overdrachtsinkomens (zoals uitkeringen of toeslagen). Hier speelt de overheid een rol. Het progressieve belastingstelsel in Nederland is zo ingericht dat hogere inkomens een hoger percentage belasting betalen dan lagere inkomens. Dit zorgt voor een eerste stap richting het verkleinen van de inkomensongelijkheid.
Daarnaast ontvangen mensen met lagere inkomens vaak aanvullingen op hun inkomen in de vorm van uitkeringen en toeslagen, zoals zorgtoeslag, huursubsidie, en kindgebonden budget.
Deze aanvullingen zorgen ervoor dat de lage inkomens extra geld krijgen, terwijl hoge inkomens meer afdragen. Hierdoor worden de inkomensverschillen al kleiner.
Tertiair inkomen is wat er overblijft van je inkomen na de betaling van verplichte uitgaven. In Nederland zijn bijvoorbeeld een zorgverzekering en gemeentebelastingen verplicht. Als je deze vaste lasten hebt betaald, blijft je tertiaire inkomen over. Je zult zien dat het inkomen na deze stappen nog gelijker verdeeld is dan het primaire inkomen, dankzij de herverdelende rol van de overheid.
De rol van de overheid bij inkomensherverdeling
De overheid kan de inkomensverschillen kleiner of groter maken door middel van beleid.
Nivelleren is het verkleinen van de relatieve inkomensverschillen tussen huishoudens. Dit is wat de Nederlandse overheid doet met het progressieve belastingstelsel en de toekenning van toeslagen. Als inkomens genivelleerd worden, schuift de Lorenz-curve (die later wordt uitgelegd) dichter naar de diagonaal van gelijke verdeling.
Het tegenovergestelde van nivelleren is denivelleren. Dit is het met beleid vergroten van de relatieve inkomensverschillen tussen huishoudens. In Nederland gebeurt dit liever niet, maar het is mogelijk. Bij denivelleren schuift de Lorenz-curve juist verder weg van de diagonaal.
De Lorenz-curve en Gini-coëfficiënt
Om de mate van inkomensongelijkheid grafisch en in een getal weer te geven, gebruiken we de Lorenz-curve en de Gini-coëfficiënt.
De Lorenz-curve is een grafische weergave van de inkomensverdeling in een land. Op de horizontale as staan de cumulatieve percentages van de bevolking (van arm naar rijk) en op de verticale as de cumulatieve percentages van het totale inkomen. De diagonaal in de grafiek stelt een perfect gelijke inkomensverdeling voor (bijvoorbeeld: 20% van de bevolking heeft 20% van het inkomen).

Hoe dichter de Lorenz-curve bij de diagonaal ligt, hoe gelijker de inkomens verdeeld zijn. Hoe verder de curve van de diagonaal afligt, hoe ongelijker de verdeling. Door het progressieve belastingstelsel ligt de Lorenz-curve voor secundaire inkomens dichter bij de diagonaal dan die voor primaire inkomens.
De Gini-coëfficiënt is een getal dat de mate van inkomensongelijkheid berekent, gebaseerd op de Lorenz-curve. De coëfficiënt ligt altijd tussen 0 en 1. Je berekent de Gini-coëfficiënt met de volgende formule: Hierbij geldt:
•Oppervlakte A: Het gebied tussen de diagonaal van volkomen gelijkheid en de Lorenz-curve.
•Oppervlakte B: Het gebied onder de Lorenz-curve.
Een hogere Gini-coëfficiënt (dichter bij 1) betekent een grotere oppervlakte van vlak A, een bollere Lorenz-curve, en dus een grotere mate van inkomensongelijkheid. Een lagere Gini-coëfficiënt (dichter bij 0) betekent een plattere Lorenz-curve en een kleinere mate van inkomensongelijkheid.
Daarbij is het heel belangrijk om te weten hoe het inkomen gemeten wordt. Er kan alleen gekeken worden naar individuele inkomens of naar alle huishoudinkomens. Het kan gaan over alleen arbeidsinkomens maar ook over het totale inkomen. Dit beïnvloedt de uitkomst van de Gini-coëfficiënt, dus wees hier bewust van bij het interpreteren van de cijfers van de inkomensongelijkheid.
Doelmatigheid vs. rechtvaardigheid
Herverdeling van inkomens door de overheid kan zorgen voor meer rechtvaardigheid in de samenleving. Maar er kan ook een afruil ontstaan met de doelmatigheid van de economie. Herverdeling kan namelijk ook nadelen met zich meebrengen:
•Minder prikkels om te werken of te investeren: als de overheid inkomensverschillen sterk verkleint, kunnen mensen minder gestimuleerd worden om harder te werken, te sparen, te investeren in opleidingen of te ondernemen. Waarom zou je veel moeite doen voor een hoger inkomen als de overheid je inkomen toch wel aanvult als je minder verdient?
•Meer prikkels om belasting te ontwijken: mensen met hoge inkomens die veel belasting moeten betalen, kunnen proberen hun belastingverplichtingen te ontwijken. Ze huren bijvoorbeeld dure advocaten in voor financieel advies of overwegen te migreren naar landen met lagere belastingtarieven.
Deze afruil hoeft echter niet te ontstaan als de herverdeling zo wordt vormgegeven dat prikkels om te werken en meer te verdienen behouden blijven. Dit kan bijvoorbeeld door overheidsvoorzieningen zoals onderwijs en kinderopvang. Hier stimuleer je mensen om te blijven werken. Ook een sociaal vangnet kan een prikkel zijn om te ondernemen: als het misgaat, is er een basiszekerheid.
Vermogensongelijkheid
Naast inkomensongelijkheid is er ook vermogensongelijkheid en dit is te visualiseren met de Parade van Penn.

Stel je voor dat je vermogen wordt uitgedrukt in je lengte, en alle inwoners van een land komen in één uur tijd voorbij in een parade.
•De eerste mensen die voorbijkomen, zijn de mensen met schulden; zij kruipen onder de grond door, want hun vermogen is negatief.
•Het gemiddelde vermogen van de bevolking komt pas na ongeveer 35 minuten voorbij in de parade. Dit betekent dat meer dan de helft van de mensen een vermogen heeft dat lager is dan het gemiddelde.
•Helemaal aan het einde van de parade, in de laatste seconden, komen de "reuzen" voorbij. Dit zijn mensen met een gigantisch vermogen. De rijkste mensen in Nederland kunnen wel meer dan drie keer zo groot zijn als de mensen die in de minuut ervoor langskomen. Het gemiddelde vermogen in Nederland wordt bijvoorbeeld weergegeven door een persoon van 1,74 meter. De rijkste mensen kunnen echter wel 30 meter lang zijn in deze parade! Dit betekent dat zij al 30 keer zoveel vermogen hebben als de gemiddelde persoon in Nederland.
Uit de Parade van Penn blijkt duidelijk dat er een grote mate van vermogensongelijkheid is. Hoewel de overheid een belangrijke rol speelt in de herverdeling van inkomens, is de ongelijkheid in vermogen nog steeds aanzienlijk.













