Leg uit aan de hand van het artikel of er sprake is van hoogconjunctuur of laagconjunctuur
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een trendmatige ontwikkeling is.
•Je kunt herkennen wanneer er sprake is van een hoge of een lage conjunctuur.
•Je kunt uitleggen wat de kenmerken zijn van een hoge en een lage conjunctuur.
•Je kunt uitleggen welke gevolgen de conjunctuurstand heeft voor de overheidsfinanciën.
Het economisch klimaat
De economie, ook wel het economisch klimaat, is altijd in beweging. De stand van de economie verandert voortdurend. Om te meten hoe het met de economie gaat, kijken economen naar het bruto binnenlands product (bbp).
Het bbp is de totale waarde van alle goederen en diensten die in een land in een bepaalde periode worden geproduceerd.
De trendmatige ontwikkeling van het bbp
Economen kijken niet alleen naar het bbp van één moment, maar ook naar de trendmatige ontwikkeling van het bbp.
Dit is de verwachte gemiddelde economische groei op basis van historische gegevens en verwachtingen over de toekomst. In Nederland ligt deze groei ongeveer rond de 2,3% per jaar.
De trendmatige ontwikkeling laat dus zien hoe de economie gemiddeld groeit op de lange termijn.
Conjunctuur
De economie groeit niet elk jaar even snel. Soms groeit de economie sneller dan gemiddeld en soms langzamer. Deze schommelingen rond de trendmatige groei noemen we de conjunctuur.
Laagconjunctuur
Er is sprake van een laagconjunctuur wanneer de economische groei lager is dan de trendmatige groei.
Hoogconjunctuur
Er is sprake van een hoogconjunctuur wanneer de economische groei hoger is dan de trendmatige groei.
Productiecapaciteit en potentiële productie
Een belangrijk begrip bij conjunctuur is de productiecapaciteit. Dit is de maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land kan produceren als alle productiefactoren optimaal worden gebruikt.
De productiecapaciteit bepaalt het structurele aanbod op lange termijn. Dit noemen we de potentiële productie, vaak weergegeven als Y^{*}Y*^{*}.
Zelfs bij maximale productiecapaciteit is er nog werkloosheid. Deze werkloosheid noemen we natuurlijke werkloosheid of structurele werkloosheid. Dit komt niet doordat de economie slecht draait, maar doordat er simpelweg niet meer geproduceerd kan worden met de beschikbare middelen.
Hoogconjunctuur in detail
Tijdens een hoogconjunctuur is er sprake van overbesteding. Mensen en bedrijven geven samen meer geld uit dan normaal.
Kenmerken van een hoogconjunctuur:
•De werkloosheid is lager dan de structurele werkloosheid.
•Er is veel vraag naar arbeid.
•Er ontstaat een positieve output gap.
De output gap is het verschil tussen de feitelijke productie Y en de potentiële productie Y^{*}Y^{\cdot}Y^{\placeholder{}}YY\cdotY.
Rekenvoorbeeld:
Als de feitelijke productie 100 is en de potentiële productie 90, dan is de output gap:
100-90=10100-9010
De output gap is dan positief.
Door de hoge bestedingen kan ook bestedingsinflatie ontstaan. Dat betekent dat prijzen stijgen doordat mensen veel geld uitgeven.
Kenmerken van een hoogconjunctuur
•Effectieve vraag neemt toe (overbesteding).
•Inflatie kan ontstaan door bestedingsinflatie.
•Bezettingsgraad is maximaal.
•Arbeidsmarkt is krap.
•Lonen stijgen vaak.
•Er is meer vraag naar kapitaal.
•De rente stijgt.
Laagconjunctuur in detail
Tijdens een laagconjunctuur is er sprake van onderbesteding. Mensen en bedrijven geven minder geld uit.
Kenmerken van een laagconjunctuur:
•De werkloosheid is hoger dan de structurele werkloosheid.
•Er ontstaat conjuncturele werkloosheid.
•De output gap is negatief.
Rekenvoorbeeld:
Als de feitelijke productie 80 is en de potentiële productie 90, dan is de output gap:
80-90=-1080-90-10
De output gap is dan negatief.
De hogere werkloosheid ontstaat doordat er minder consumptie is. Hierdoor produceren bedrijven minder en hebben zij minder werknemers nodig.
Kenmerken van een laagconjunctuur
•Effectieve vraag loopt terug (onderbesteding).
•Bezettingsgraad daalt.
•Er ontstaat conjuncturele werkloosheid.
•Er is minder vraag naar kapitaal.
•De rente daalt.
De fases van de conjunctuur
De economie beweegt zich in verschillende fases rondom de trendmatige groei.
Overspanning
Dit is de piek van een hoogconjunctuur. Er is sprake van overbesteding en de vraag is groter dan de productiecapaciteit.
Recessie
De economie begint te krimpen. Van een recessie spreken we wanneer de economische daling minstens twee kwartalen duurt.
Depressie
Dit is het dieptepunt van een laagconjunctuur. Er wordt onder de productiecapaciteit geproduceerd en de werkloosheid stijgt sterk. Er is sprake van onderbesteding.
Opleving
De vraag naar goederen en diensten neemt weer toe en de economie begint te groeien.
Twee kanten van de economie
De economie heeft een structurele kant en een conjuncturele kant.
De structurele kant (aanbodzijde, lange termijn)
De structurele kant gaat over de maximale productiecapaciteit van een land. Dit hoort bij de aanbodzijde van de economie.
De productiecapaciteit wordt bepaald door productiefactoren:
•Kapitaal
•Arbeid
•Natuur
•Ondernemerschap
Hoe meer en hoe beter deze productiefactoren zijn, hoe meer een land kan produceren.
De conjuncturele kant (vraagzijde, korte termijn)
De conjuncturele kant gaat over de vraag naar goederen en diensten. Dit noemen we de effectieve vraag.
Deze vraag kan snel veranderen. Als consumenten veel vertrouwen hebben in de economie, geven ze meer geld uit. Hierdoor stijgt de productie.
Deze veranderingen zorgen voor de conjunctuurgolf.
Gevolgen van de conjunctuur voor overheidsfinanciën
Gevolgen bij hoogconjunctuur
•Belastinginkomsten stijgen doordat mensen meer werken en meer verdienen.
•Uitgaven aan uitkeringen dalen doordat er minder werkloosheid is.
•Er ontstaat vaak een overheidsoverschot of begrotingsoverschot.
Gevolgen bij laagconjunctuur
•Belastinginkomsten dalen doordat er minder gewerkt en verdiend wordt.
•Uitgaven aan uitkeringen stijgen door hogere werkloosheid.
•Er zijn soms extra overheidsinvesteringen nodig om de economie te stimuleren.
•Er ontstaat vaak een overheidstekort of begrotingstekort.
Begrotingsbeleid van de overheid
De overheid houdt bij het maken van de rijksbegroting rekening met de conjunctuur. De minister van Financiën gebruikt hierbij trendmatig begrotingsbeleid.
Dit betekent dat de begroting wordt gebaseerd op de trendmatige ontwikkeling van de economie. Hierdoor hoeft de overheid de begroting niet elk jaar sterk aan te passen aan tijdelijke schommelingen in de conjunctuur.













