Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat het bruto binnenlands product (bbp) is.
•Je kunt uitleggen wat toegevoegde waarde is.
•Je kunt de vier productiefactoren benoemen en de bijbehorende beloningen identificeren.
•Je kunt uitleggen welke drie manieren er zijn om het bbp te meten en deze toepassen.
Toegevoegde waarde: de basis van productie
Elk product en elke dienst die wordt geproduceerd, heeft een bepaalde waarde. De toegevoegde waarde is het verschil tussen de waarde van de opbrengst (wat het product oplevert) en de waarde van de ingekochte goederen en diensten (wat het bedrijf heeft uitgegeven om het product te maken). Waarde wordt stap voor stap toegevoegd tijdens het productieproces.
Rekenvoorbeeld: van boom tot bank
Stel, we volgen de productie van een bank:
Bomen: De toegevoegde waarde van de bomen na het kappen is € 10.
Fabriek (planken): De fabriek zaagt de bomen om en maakt er planken van. Ze voegen € 40 aan waarde toe. De planken zijn nu € 50 waard (
Ontwerper/maker (bank): Iemand ontwerpt en maakt van de planken een mooie bank. Hier wordt € 550 aan waarde toegevoegd. De bank is nu € 600 waard (
Groothandel: De groothandel koopt de bank en verkoopt deze door. Zij voegen € 50 aan waarde toe. De bank is nu € 650 waard (
Winkel: De winkel koopt de bank van de groothandel en verkoopt deze aan de consument. De winkel voegt € 250 aan waarde toe. De consument koopt de bank voor € 900 (
De totale toegevoegde waarde in dit proces is de som van alle toegevoegde waardes in elke stap:
De toegevoegde waarde kan ook worden uitgerekend met de formule:
Voor de winkel in ons voorbeeld:
Omzet: € 900
Ingekochte goederen: € 650
Toegevoegde waarde:
Bruto binnenlands product (bbp): de totale productie
Het bruto binnenlands product (bbp) is de totale waarde van alle goederen en diensten die in een land in één jaar worden geproduceerd. Het is een belangrijke maatstaf voor de omvang en groei van een economie.
Productiefactoren en hun beloningen
Om waarde toe te kunnen voegen en te produceren, zijn productiefactoren nodig. Er zijn vier productiefactoren (KANO) en voor het beschikbaar stellen van deze productiefactoren word je beloond.
•Kapitaal: denk aan machines, gebouwen, computers en andere hulpmiddelen. De beloning hiervoor is rente of huur.
•Arbeid: dit zijn de menselijke inspanningen en vaardigheden die worden ingezet. De beloning hiervoor is loon.
•Natuur: dit zijn alle natuurlijke hulpbronnen, zoals grondstoffen, land en water. De beloning hiervoor is pacht.
•Ondernemerschap: dit is het vermogen om de andere productiefactoren te combineren, risico's te nemen en innovaties door te voeren. De beloning hiervoor is winst.
Waardevermindering: afschrijvingen
Tijdens het productieproces raken kapitaalgoederen (zoals machines, auto's) in de loop van de tijd minder waard door slijtage en veroudering. Dit noemen we afschrijving. Deze waardevermindering wordt van de bruto toegevoegde waarde afgehaald om de netto toegevoegde waarde te bepalen.
De drie manieren om het bbp te meten
Het bbp kan op drie verschillende manieren worden gemeten, die in theorie allemaal hetzelfde resultaat moeten opleveren:
De objectieve methode
Bij de objectieve methode berekenen we het bbp door de som van alle toegevoegde waardes van alle bedrijven en de overheid in een land in één jaar op te tellen. Dit komt neer op de totale omzet van alle bedrijven min de totale ingekochte goederen en diensten.
Formule:
De subjectieve methode
De subjectieve methode kijkt naar de inkomenskant. Het bbp wordt berekend door alle beloningen voor de productiefactoren bij elkaar op te tellen. Dit omvat:
•Arbeidsinkomen: loon voor werknemers en zelfstandigen.
•Kapitaalinkomen: rente, dividend, pacht, huur.
•Winst: het inkomen van ondernemers.
Formule:
De bestedingsmethode
De bestedingsmethode meet het bbp door te kijken naar de totale bestedingen in een economie. Elk geproduceerd goed of elke dienst is uiteindelijk door iemand besteed. Deze methode telt de volgende componenten bij elkaar op:
C = Consumptie van gezinnen (bestedingen aan goederen en diensten door consumenten).
I = Investeringen van bedrijven (bestedingen aan kapitaalgoederen, voorraden en gebouwen).
O = Overheidsbestedingen (bestedingen van de overheid aan goederen en diensten, zoals onderwijs en defensie).
E = Export (waarde van de goederen en diensten die aan het buitenland worden verkocht).
M = Import (waarde van de goederen en diensten die uit het buitenland worden gekocht; deze moeten we eraf trekken, omdat ze niet in eigen land zijn geproduceerd).
Formule:




