Lees de zinnen en vul dan de tabel aan met de juiste vervoegingen.
Leerdoelen
•Je kunt benoemen wat een sterk werkwoord is.
•Je kunt haben, sein en werden in de tegenwoordige tijd vervoegen.
•Je kunt het voltooid deelwoord van haben, sein en werden maken.
Sterke en zwakke werkwoorden
In de Duitse taal zijn er sterke en zwakke werkwoorden. Zwakke werkwoorden hebben een vaste stam zonder klankverandering in de verleden tijd. Een voorbeeld hiervan is het Nederlandse werkwoord "fietsen": "ik fiets" en "ik fietste". Er is geen klankverandering in de stam. Sterke werkwoorden daarentegen hebben wel een verandering in de stam. Denk aan "ik heb" en "ik had". Hier verandert de klank van de stam.
De werkwoorden haben, sein en werden
De werkwoorden haben, sein en werden zijn belangrijk in het Duits. Ze betekenen "hebben", "zijn" en "zullen" in het Nederlands. Deze werkwoorden hebben in de verleden tijd een klankverandering, net als sterke werkwoorden.
Tegenwoordige tijd
Haben
Ich habe
Du hast
Er/Sie/Es hat
Wir haben
Ihr habt
Sie/Sie haben

Sein
Ich bin
Du bist
Er/Sie/Es ist
Wir sind
Ihr seid
Sie/Sie sind

Werden
Ich werde
Du wirst
Er/Sie/Es wird
Wir werden
Ihr werdet
Sie/Sie werden

Let op: bij zowel haben als werden zijn de vormen voor "wir" en "sie/Sie" gelijk aan het hele werkwoord, ook wel het infinitief genoemd. Bij sein is dit niet het geval; hier zijn de vormen "wir sind" en "sie/Sie sind" anders dan het infinitief "sein".
Voltooide tijd
De voltooide tijd gebruik je om te praten over iets wat al gebeurd is. Dit doe je door een vorm van haben of sein te gebruiken, samen met het voltooid deelwoord.
Voorbeelden
Haben: Ich habe gehabt (Ik heb gehad)
Sein: Ich bin gewesen (Ik ben geweest)
Werden: Ich bin geworden (Ik ben geworden)














