Hoe zeg je in het Duits "Waar ga je naartoe in de vakantie?"
Vakantieplannen in het Duits
In deze les bespreken we hoe je in het Duits kunt praten over je vakantieplannen. We behandelen hoe je vragen kunt stellen en beantwoorden over wat je gaat doen, waar je heen gaat, met wie je gaat, en hoe je er komt. Ook kijken we naar activiteiten en overnachtingsmogelijkheden.
Vragen stellen over vakantieplannen
Wat ga je doen in de vakantie?
In het Duits vraag je: "Was machst du in den Ferien?"
Mogelijke antwoorden:
"Ich fahre für zwei Wochen nach Frankreich." (Ik ga voor twee weken naar Frankrijk.)
"Ich bleibe zu Hause und gehe mit meinen Freunden zum Strand." (Ik blijf thuis en ga met mijn vrienden naar het strand.)
Andere activiteiten kunnen zijn:
•schwimmen
•faulenzen
•zum Strand gehen
•Tennis spielen
•Rad fahren
•mich mit freunden treffen
•in die Stadt gehen
Met wie en hoe reis je?
Met wie ga je op vakantie?
Vraag: "Mit wem gehst du nach Italien?"
Antwoord: "Ich gehe mit meinen Freunden nach Italien." (Ik ga met mijn vrienden naar Italië.)
Personen kunnen zijn:
•meinen Freunden
•meiner Mannschaft
•meinen Eltern
Hoe ga je naar je bestemming?
Vraag: "Wie fährst du in den Urlaub?"
Antwoordopties:
"Ich fahre mit dem Auto." (Ik ga met de auto.)
"Ich fahre mit dem Fahrrad nach Belgien." (Ik ga met de fiets naar België.)
Verschillende manieren van vervoer:
•mit dem Auto
•mit dem Bus
•mit dem Zug
•mit dem Fahrrad
•mit dem Boot
•mit dem Flugzeug
Overnachtingsmogelijkheden
Waar overnacht je tijdens je vakantie?
Vraag: "Wo werdet ihr übernachten?"
Antwoorden:
"Wir übernachten in einem Hotel." (We overnachten in een hotel.)
"Wir übernachten auf einem Campingplatz." (We overnachten op een camping.)
Overnachtingsmogelijkheden:
•einem Hotel
•einem Bauernhof/Campingplatz
•meinen Großeltern
Activiteiten op vakantie
Wat ga je doen op vakantie?
Vraag: "Was wollen wir morgen machen?" (Wat zullen we morgen doen?)
Antwoord: "Wir können schwimmen gehen und danach um vier Uhr zum Strand." (We kunnen gaan zwemmen en daarna om vier uur naar het strand.)
Activiteiten op vakantie
•Was sollen wir … machen?
•Was möchtest du … machen?
•Wir können jetzt … und danach …
•Ich möchte lieber zuerst … und dann …
•Sollen wir am Abend … ?
Samenvatting en voorbeeldzinnen
Je kunt nu vragen stellen en beantwoorden over je vakantieplannen, zoals waar je heen gaat, wat je gaat doen, hoe je er komt, en met wie je gaat. Hier is een voorbeeld van hoe je een gesprek kunt voeren:
"In den Ferien fahre ich am liebsten nach Frankreich. Ich gehe diesen Sommer mit meinen Eltern und Geschwistern in den Urlaub. Wir fahren mit dem Auto und übernachten in Marseille. Ich möchte schwimmen gehen und faulenzen, wenn ich im Urlaub bin."
Met deze informatie kun je een gesprek voeren over je vakantieplannen in het Duits. Veel succes en plezier met je gesprekken over vakanties!













