Leerdoelen
•Je weet wat een zelfstandig naamwoord is.
•Je weet welke geslachten een Duits woord kan hebben en welke lidwoorden daarbij horen.
•Je kent de hoofdregels voor het bepalen van het geslacht.
Wat is een zelfstandig naamwoord?
Een zelfstandig naamwoord is een woord dat een ding, dier, mens, of plant beschrijft. Voor elk zelfstandig naamwoord staat altijd een lidwoord. In het Nederlands hebben we de lidwoorden de, het, en een. In het Duits gebruiken we verschillende lidwoorden, afhankelijk van het geslacht van het zelfstandige naamwoord:
•Der voor mannelijke woorden
•Die voor vrouwelijke woorden
•Das voor onzijdige woorden
•Die (meervoud) voor meerdere zelfstandige naamwoorden
Hoofdregels voor mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden
Mannelijke woorden
Mannelijke woorden krijgen het lidwoord der. Dit zijn vaak:
•Mannelijke personen, zoals der Vater (de vader)
•Mannelijke beroepen, zoals der Lehrer (de leraar)
•Mannelijke dieren, zoals der Stier (de stier)
Vrouwelijke woorden
Vrouwelijke woorden krijgen het lidwoord die. Dit zijn vaak:
•Vrouwelijke personen, zoals die Großmutter (de grootmoeder)
•Vrouwelijke beroepen, zoals die Lehrerin (de docente)
•Vrouwelijke dieren, zoals die Kuh (de koe)
Veel vrouwelijke woorden eindigen op een e, bijvoorbeeld die Lampe (de lamp). Maar houd rekening met uitzonderingen. Bijvoorbeeld: der Name (de naam) eindigt ook op een e, maar is mannelijk.
Onzijdige woorden
Onzijdige woorden krijgen het lidwoord das. Veel woorden die in het Nederlands het lidwoord het krijgen, krijgen in het Duits das. Voorbeelden zijn:
•Das Wasser (het water)
•Das Mädchen (het meisje)
Woorden die eindigen op -chen of -lein zijn vaak verkleinwoorden en krijgen ook das. Bijvoorbeeld das Büchlein (het boekje).
Meervoudsvormen
Bij meervoudswoorden gebruiken we ook het lidwoord die. Dit geldt voor meerdere dingen, dieren, of planten. Voorbeeld: die Kinder (de kinderen), die Blumen (de bloemen).
Voorbeeldwoorden en hun geslacht
Laten we nu kijken naar enkele woorden en hun bijbehorende geslacht en lidwoord:
•Onkel (oom) - der Onkel (mannelijk)
•Haus (huis) - das Haus (onzijdig)
•Kater (kater) - der Kater (mannelijk)
•Toilette (toilet) - die Toilette (vrouwelijk)
•Geschwister (broers en zussen) - die Geschwister (meervoud)