Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat sterke werkwoorden zijn
•Je kunt de regels van de e-i-wissel en de e-ie-wissel toepassen bij sterke werkwoorden
•Je kunt veelvoorkomende werkwoorden waarbij deze e-i- en e-ie-wissel plaatsvindt, herkennen
Wat zijn sterke werkwoorden?
In het Duits, net als in het Nederlands, onderscheiden we twee soorten werkwoorden: sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden.
Sterke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de stam in de verleden tijd verandert. Denk aan Nederlandse voorbeelden zoals:
•ik zie – ik zag
•ik doe – ik deed
Bij zwakke werkwoorden blijft de stam gelijk in de verleden tijd:
•ik fiets – ik fietste
•ik speel – ik speelde
Het is belangrijk om te weten dat wat in het Nederlands een sterk werkwoord is, niet per se ook een sterk werkwoord in het Duits hoeft te zijn. En dat geldt ook voor andere talen, zoals Frans of Engels. Elke taal heeft zijn eigen regels voor sterke en zwakke werkwoorden.
De basisregel
Als een sterk werkwoord in het Duits een 'e' in de stam heeft, verandert deze 'e' vaak in een 'i' of een 'ie'. Dit noemen we de e-wissel. Deze wissel vindt plaats bij de du-vorm en de er/sie/es-vorm in de tegenwoordige tijd.
De truc zit hem in de uitspraak van de 'e':
•Spreek je de 'e' kort uit? Dan verandert de 'e' in een i bij de du- en er/sie/es-vorm.
•Voorbeeld: sprechen (de 'e' klinkt kort, als een è-klank)
•ich spreche
•du sprichst
•er/sie/es spricht
•wir sprechen
•ihr sprecht
•sie/Sie sprechen
•Spreek je de 'e' lang uit? Dan verandert de 'e' in een ie bij de du- en er/sie/es-vorm.
•Voorbeeld: empfehlen (de 'e' klinkt lang)
•ich empfehle
•du empfiehlst
•er/sie/es empfiehlt
•wir empfehlen
•ihr empfehlt
•sie/Sie empfehlen
Belangrijk om te onthouden: deze regel geldt alleen voor de du- en er/sie/es-vorm en alleen voor de tegenwoordige tijd.
Veelvoorkomende werkwoorden met een e-i-wissel
Er zijn een aantal veelvoorkomende werkwoorden waarin de 'e' verandert in een 'i'. Het is handig om deze te kennen, zodat je ze snel herkent:
•helfen (helfen - du hilfst, er/sie/es hilft)
•sprechen (sprechen - du sprichst, er/sie/es spricht)
•essen (essen - du isst, er/sie/es isst)
•geben (geben - du gibst, er/sie/es gibt)
Bij geben valt je misschien op dat de 'e' lang klinkt, maar toch een 'i' wordt.
Veelvoorkomende werkwoorden met een e-ie-wissel
Ook zijn er veelvoorkomende werkwoorden waarin de 'e' verandert in een 'ie'. Hier zijn de belangrijkste:
•sehen (sehen - du siehst, er/sie/es sieht)
•lesen (lesen - du liest, er/sie/es liest)
•empfehlen (empfehlen - du empfiehlst, er/sie/es empfiehlt)
Werkwoorden zonder wissel
Niet alle sterke werkwoorden met een 'e' in de stam krijgen een wissel. De volgende twee werkwoorden zijn veelvoorkomende voorbeelden die geen e-wissel krijgen:
•gehen
•stehen
Er zijn meer van dit soort werkwoorden, maar dit zijn de meest voorkomende.














