Welke van de volgende stellingen is waar?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat dominante en recessieve allelen zijn.
•Je kunt uitleggen wat een intermediair fenotype is.
•Je kunt voorspellingen doen over eigenschappen bij nakomelingen met behulp van een kruisingsschema.
•Je kunt een kruisingsschema maken voor de 2e generatie.
Genen en allelen
Allereerst, wat zijn genen? Wel, chromosomen zijn opgebouwd uit eiwitten en DNA (Deoxyribonucleic acid) en het is op dit DNA waar we genen vinden. Genen zijn stukjes DNA met de informatie voor één bepaalde erfelijke eigenschap. Bijvoorbeeld, we hebben genen voor oogkleur, genen voor bloedtype, genen voor haarkleur en genen voor groei. En deze genen kunnen veel verschillende variaties hebben, zoals blauwe oogkleur, grijze ogen, groene ogen, donkergroene ogen, donkerbruine ogen, etc. Deze varianten noemen we allelen.
Elk persoon krijgt één allel van zijn/haar moeder en één allel van zijn/haar vader. Sommige van deze allelen zijn dominant, wat betekent dat ze altijd tot uiting komen in je fenotype, zelfs als je slechts één kopie van die variant hebt. Andere allelen zijn recessief, dat wil zeggen dat ze alleen tot uiting komen in je fenotype als je twee kopieën ervan hebt.
Dominant en recessief allel
We zullen dit nu verder illustreren aan de hand van een voorbeeld. Stel dat bruine haarkleur dominant is (we geven dit aan met hoofdletter "A"), en dat blonde haarkleur recessief is (we geven dit aan met kleine letter "a").
Een persoon kan de volgende genotypes hebben:
•Grote letter A, grote letter A (AA): Deze persoon heeft bruine haren en is homozygoot voor deze eigenschap.
•Grote letter A, kleine letter a (Aa): Deze persoon heeft nog steeds bruine haren, omdat het bruine haarkleurgen dominant is, en is heterozygoot voor deze eigenschap.
•Kleine letter a, kleine letter a (aa): Deze persoon heeft blond haar, omdat zij twee kopieën van het recessieve allel heeft.

Intermediaire fenotype
Er is een speciaal geval wanneer twee allelen even sterk zijn. Als een persoon beide varianten erft, bijvoorbeeld bij het kruisen van een witte bloem met een rode bloem, ontstaat er een intermediair fenotype, waarbij beide kleuren een beetje tot uiting komen en roze bloemen voortbrengen.

Voorspellen van eigenschappen
Nu kan het nuttig zijn om te voorspellen welke erfelijke eigenschappen nakomelingen kunnen krijgen. Dit kan vooral belangrijk zijn voor boeren, bloemkwekers, dierenfokkers en medische professionals. We maken hiervoor gebruik van kruisingschema's.
In deze kruisingschema's maken we gebruik van twee termen: "P" van parentis (Latijns voor ouders) en "F" van fili (Latijns voor generatie). Aan de hand van een voorbeeld zullen we stap voor stap uitleggen hoe dit werkt.
Voorbeeld kruisingsschema

Stel dat je wilt weten welke vachtkleur de puppy's krijgen van een hond met een dominante bruine vachtkleur en een hond met een recessieve blonde vachtkleur. We genotypen van de ouders: mama is homozygoot blond (aa) en papa is homozygoot bruin (AA). In het kruisingsschema zien we dat alle puppy's het genotype Aa hebben, ofwel een bruine vachtkleur.
Daarna kunnen we een kruisingsschema maken voor de volgende generatie, de F1 generatie.













