- Domein
- Het hoogste organisatieniveau, bestaande uit eukaryoten, bacteriën en archaea.
- Eukaryoten
- Organismen met een echte celkern.
- Familie
- Een organisatieniveau, volgend op orde.
- Geslacht
- Een organisatieniveau, volgend op familie.
- Klasse
- Het vierde organisatieniveau, bijvoorbeeld reptielen, vissen, vogels, zoogdieren en amfibieën binnen de gewervelden.
- Orde
- Een organisatieniveau, volgend op klasse.
- Organisatieniveaus
- De manier waarop wetenschappers organismen ordenen van groot naar klein.
- Prokaryoten
- Organismen waartoe bacteriën en archaea behoren.
- Rijk
- Het tweede organisatieniveau, bestaande uit planten, dieren, schimmels en bacteriën.
- Soort
- De laatste stap in de organisatie; je behoort tot een soort als je onderling kan voortplanten en vruchtbare nakomelingen kan krijgen.
- Stam
- Het derde organisatieniveau, bijvoorbeeld sponzen, holtedieren, wormen, weekdieren, geleedpotigen, stekelhuidigen en gewervelden binnen het dierenrijk.
- Vruchtbare nakomelingen
- Nakomelingen die zelf ook weer kinderen kunnen krijgen.