Leerdoelen
•Verschillende ecologische termen kunnen benoemen en toepassen
•Een emergente eigenschap kunnen benoemen
De basis: Atomen tot organismen
Laten we beginnen bij de kleinste eenheden in de biologie, de atomen, en ons een weg banen omhoog door de organisatieniveaus. We beginnen bij het atoom, gaan vervolgens naar het molecuul en dan naar het organel. We gaan nog groter, van het organel naar de cel en vervolgens naar het weefsel, en dan naar het orgaan. Nu zijn we bij het niveau van organismen.
Voorbeeld: Wanneer we spreken over een organisme, hebben we het over een individu. Dit kan een spreeuw of een mus zijn, maar ook een grasspriet kan een individu zijn.

Van organismen tot populaties
Het volgende niveau is de populatie. Een populatie bestaat uit een heleboel individuen van dezelfde soort die zich samen voortplanten. Een populatie kan tijdelijk of permanent zijn. Het is bijvoorbeeld belangrijk om te onthouden dat de term 'populatie' bij ecologie iets anders betekent dan bij mensen. Populaties bij organismen paren namelijk niet met elkaar, terwijl menselijke populaties (zoals mensen in verschillende steden) dat wel doen.
Levensgemeenschappen
Nu gaan we een stap verder naar levensgemeenschappen. Verschillende populaties hebben relaties met andere organismen. Deze relaties vormen levensgemeenschappen. Alle organismen binnen deze gemeenschap beïnvloeden elkaar. Een voorbeeld kan zijn dat konijnen kruiden en grassen eten, en vossen eten weer konijnen.

Ecosystemen en abiotische factoren
Als we nog een stapje verder gaan, komen we bij het ecosysteem. Hier kijken we niet alleen naar de levensgemeenschappen, maar ook naar de abiotische (niet-levende) factoren, zoals temperatuur en wateraanwezigheid. Een ecosysteem kan dus ook worden gedefinieerd door zijn grenzen. Bijvoorbeeld, als je het strand opstapt en het water verdwijnt, dan eindigt het koraalrif ecosysteem.

Environmental DNA
Een interessante methode om de aanwezige soorten in een ecosysteem te onderzoeken, is door gebruik te maken van Environmental DNA. Hiermee kan je aan de hand van DNA-sporen analyseren welke organismen aanwezig zijn in dat ecosysteem.
Biotoop en biosfeer
Biotoop is een term die wordt gebruikt om alle abiotische factoren samen te beschrijven. Het is een soort synoniem voor leefklimaat of leefmilieu. Een voorbeeld van een biotoop is een oceaan of een zee.

Het hoogste niveau is de biosfeer. Dit niveau omvat alle ecosystemen op de aarde.
Emergente eigenschappen
Sommige eigenschappen zijn niet zichtbaar op lagere niveaus, maar verschijnen op hogere organisatieniveaus. Deze worden emergente eigenschappen genoemd. Ze zijn een soort nieuwe eigenschappen die op een hoger organisatieniveau opeens tevoorschijn komen.
Habitat en niche
Elk organisme binnen een ecosysteem heeft zijn eigen habitat, oftewel de letterlijke plek in een ecosysteem waar het organisme zich bevindt.
Naast de habitat heeft elke soort ook een eigen rol in een ecosysteem, dit wordt een niche genoemd. Een niche is iets anders dan de letterlijke plek. De niche is de rol die een organisme vervult in het ecosysteem.
In de biologie is het dus belangrijk om het onderscheid tussen deze twee termen te maken. De habitat is letterlijk de plaats in een ecosysteem en een niche is de rol die een organisme vervult in dat ecosysteem













