Leg uit hoe fosfolipiden een celmembraan vormen en waarom dit belangrijk is.
Leerdoelen:
•Je kunt de chemische bouw van koolhydraten, eiwitten en vetten beschrijven.
•Je kunt monosachariden, disachariden en polysachariden van elkaar onderscheiden.
•Je kunt uitleggen wat de primaire, secundaire, tertiaire en quartaire structuur is van eiwitten.
•Je kunt het verschil tussen verzadigde en onverzadigde vetten uitleggen.
Koolhydraten
Koolhydraten zijn essentieel voor ons lichaam. Ze worden onderverdeeld in monosachariden, disachariden en polysachariden. Monosachariden zijn ook wel bekend als enkelvoudige suikers. Deze hebben 5 of 6 C-atomen en zien er zo uit:

Enkele bekende monosachariden zijn desoxyribose (DNA), ribose (RNA), glucose en fructose die je in je BiNaS kunt vinden.
Disachariden, zoals maltose, sacharose (tafelsuiker) en lactose, zijn samenstellingen van twee monosachariden. Ook hier zijn er verschillende vormen die je in je BiNaS kunt vinden.

De polysachariden of meervoudige suikers bestaan uit veel gekoppelde monosachariden. Voorbeelden hiervan zijn zetmeel, glycogeen en cellulose. Ze worden door ons lichaam opgeslagen, zoals glycogeen in onze lever en spieren, en worden als brandstof gebruikt.

Eiwitten
Eiwitten, of proteïnen, bestaan uit aan elkaar gekoppelde aminozuren, variërend van enkele tientallen tot duizenden. Er bestaan 20 verschillende aminozuren, waarvan 8 essentieel zijn.
Als aminozuren worden gekoppeld, vormen ze een primaire structuur, die de volgorde van aminozuren aangeeft. Daarnaast hebben we een secundaire structuur, zoals alfa-helix of bèta-sheets. De tertiaire structuur is het geheel van de hiervoor genoemde vormen. Een quartaire structuur ontstaat wanneer meerdere aminozuurketens samen één functioneel eiwit vormen. Omdat niet alle eiwitten uit meerdere ketens bestaan, hebben ze niet allemaal een quartaire structuur.

Het koppelen van aminozuren gebeurt door middel van een peptidebinding, onder afsplitsing van water. In deze binding wordt een OH van de zuurgroep en een H van de aminogroep samengevoegd, waardoor water ontstaat.

Vetten
Vetten, ook bekend als lipiden, zijn opgebouwd uit een glycerolmolecuul en drie vetzuren. De vetzuren hebben een hydrofiele kop en een hydrofobe staart. Deze staarten kunnen verzadigd of onverzadigd zijn.
Een verzadigd vet heeft geen knik in de koolstofketen, terwijl een onverzadigd vet dat wel heeft. Dit is te wijten aan het feit dat er dubbele bindingen zijn bij onverzadigde vetten. Deze moleculen hebben minder energierijke bindingen, waardoor er bij verbranding minder energie vrijkomt.

Fosfolipiden
Er zijn tevens membraanvetten, ook wel fosfolipiden genaamd. Bij fosfolipiden is één van de drie vetzuren vervangen door een fosforzuur. Hierdoor krijgt dit vetmolecuul een hydrofiele kop. Vervolgens vormen fosfolipiden een dubbellagig membraan, waarbij hydrofiele koppen naar het water toe liggen en hydrofobe staarten naar binnen wijzen. Dit creëert een systeem dat kan selecteren wat erin of eruit gaat, waardoor de binnen- en buitenkant van de cel gescheiden blijven. In dit membraan bevinden zich ook andere moleculen, zoals eiwitten die transport mogelijk maken en koolhydraten die een rol spelen bij celherkenning.














