Les over 1 Een constant inwendig milieu

Les over 1 Een constant inwendig milieu

Gemaakt door Ainstein
1 Een constant inwendig milieu
Deze video bestaat uit
  • Het inwendig milieuHet inwendig milieu
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 04:23
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Inwendig milieu constant houden: hoe doet je lichaam dat?

Leerdoelen

Je kunt het verschil tussen het inwendige en uitwendige milieu van het lichaam uitleggen.

Je kunt de rol van weefselvloeistof en bloedplasma in het inwendige milieu beschrijven.

Je kunt uitleggen hoe het inwendige milieu constant wordt gehouden door opname, opslag en uitscheiding van stoffen.

Je kunt benoemen welke organen betrokken zijn bij de opname, opslag en uitscheiding van specifieke stoffen.

Je kunt de regulerende rol van hormonen, zintuigen en zenuwen bij het inwendige milieu toelichten.

Inwendig en uitwendig milieu

Je lichaam staat voortdurend in contact met de omgeving, maar moet vanbinnen stabiel blijven. We maken hierbij onderscheid tussen het inwendige en het uitwendige milieu. Het uitwendige milieu is de directe omgeving om je heen. Ook de lucht in je longen en de inhoud van je darmkanaal horen bij het uitwendige milieu, omdat deze in directe verbinding staan met de buitenwereld. Het inwendige milieu bestaat uit het milieu binnenin je lichaam dat niet direct in contact staat met de buitenwereld. Dit wordt gevormd door het bloedplasma en de weefselvloeistof. Weefselvloeistof bevindt zich tussen de cellen van je weefsels. Cellen nemen hieruit nuttige stoffen zoals zuurstof en voedingsstoffen op, en geven er afvalstoffen zoals koolstofdioxide aan af.

Schematische weergave van weefselvloeistof tussen cellen, met een haarvat en lymfevat
Schematische weergave van weefselvloeistof tussen cellen, met een haarvat en lymfevat

Opname, opslag en uitscheiding

Om gezond te blijven, moet de samenstelling van het inwendige milieu min of meer constant worden gehouden. Dit gebeurt via drie belangrijke processen:

Opname: Stoffen worden vanuit het uitwendige milieu opgenomen in het bloed om tekorten te voorkomen. De longen nemen bijvoorbeeld zuurstof op en het darmkanaal neemt voedingsstoffen op.

Opslag: Als er te veel van een bepaalde stof in het inwendige milieu aanwezig is, kan het lichaam dit tijdelijk opslaan. De stof is dan tijdelijk onttrokken aan het inwendige milieu, maar blijft wel in het lichaam. Wanneer er later een tekort ontstaat, kan de opgeslagen stof weer worden vrijgegeven.

Uitscheiding: Overtollige stoffen of schadelijke afvalstoffen worden volledig uit het inwendige milieu verwijderd en uit het lichaam uitgescheiden.

Overzicht van de organen die betrokken zijn bij de opname, opslag en uitscheiding van stoffen om het inwendige milieu constant te houden
Overzicht van de organen die betrokken zijn bij de opname, opslag en uitscheiding van stoffen om het inwendige milieu constant te houden

De rol van verschillende organen

Verschillende organen in je lichaam werken samen om deze processen uit te voeren:

Lever: Slaat glucose op door het om te zetten in de reservestof glycogeen. Daarnaast speelt de lever een rol bij de uitscheiding van afvalstoffen.

Spieren: Kunnen net als de lever glucose opslaan in de vorm van glycogeen.

Gele beenmerg: Slaat vetten op in de pijpbeenderen. Vet wordt ook opgeslagen onder de huid.

Nieren: Scheiden overtollig water en afvalstoffen uit het lichaam uit.

Longen: Scheiden koolstofdioxide uit en nemen zuurstof op.

Belangrijk om te onthouden is dat eiwitten bij de mens niet worden opgeslagen. Daarnaast worden bepaalde mineralen (zouten) en sommige vitaminen wel opgeslagen in het lichaam.

Regulatie door het lichaam

Het constant houden van het inwendige milieu is een nauwkeurig proces dat continu wordt geregeld. Hierbij spelen hormonen, zintuigen en zenuwcellen een cruciale rol. Zij meten voortdurend de waarden in het lichaam en sturen processen aan om afwijkingen te corrigeren. Zo zorgen de hormonen insuline en glucagon er samen voor dat het glucosegehalte in je bloed altijd min of meer constant blijft.