Les over 6 Bestuiving, bevruchting en verspreiding
Bestuiving, bevruchting en verspreiding

Bestuiving, bevruchting en verspreiding van planten
Leerdoelen
•Je kunt het verschil tussen zelfbestuiving en kruisbestuiving uitleggen.
•Je kunt de kenmerken van insectenbloemen en windbloemen met elkaar vergelijken.
•Je kunt de stappen van de bevruchting bij zaadplanten beschrijven.
•Je kunt uitleggen welke veranderingen er in een bloem plaatsvinden na de bevruchting.
•Je kunt de verschillende manieren van zaadverspreiding benoemen en toelichten met voorbeelden.
De voortplantingscyclus van zaadplanten
Bij de geslachtelijke voortplanting van zaadplanten volgen de gebeurtenissen elkaar altijd in een vaste volgorde op:
1.Vorming van stuifmeel en eicellen.
2.Bestuiving.
3.Bevruchting.
4.Uitgroeien van het vruchtbeginsel tot een vrucht met zaden.
5.Verspreiding van de vruchten en zaden.
6.Ontkieming en uitgroei tot nieuwe planten.
Bestuiving
Bestuiving is het overbrengen van stuifmeel van een meeldraad op de stempel van een stamper. Hierbij is het noodzakelijk dat de stuifmeelkorrel terechtkomt op de stempel van een bloem van dezelfde plantensoort. Als een stuifmeelkorrel van een roos bijvoorbeeld op de stempel van een tulp belandt, is er geen sprake van bestuiving. Er zijn twee vormen van bestuiving:
•Zelfbestuiving: dit vindt plaats wanneer stuifmeel van een bloem terechtkomt op de stempel van een bloem op dezelfde plant.
•Kruisbestuiving: dit vindt plaats wanneer stuifmeel van een bloem terechtkomt op de stempel van een bloem op een andere plant van dezelfde soort.
Insectenbloemen en windbloemen
Planten hebben verschillende manieren ontwikkeld om stuifmeel over te brengen. De twee belangrijkste groepen zijn insectenbloemen en windbloemen.
Insectenbloemen
Bij insectenbloemen wordt het stuifmeel door insecten overgebracht. Deze bloemen hebben specifieke kenmerken om insecten aan te trekken:
•Ze hebben meestal vrij grote en opvallend gekleurde kroonbladeren.
•Ze produceren geur en nectar, een zoet sap onder in de bloem waar insecten naar op zoek gaan.
•De stempels en helmknoppen vallen binnen de bloem, en de stempels zijn vaak klein.
•De stuifmeelkorrels zijn ruw en kleverig, waardoor ze gemakkelijk aan het lijf van een insect blijven plakken.
•Omdat insecten heel gericht van bloem naar bloem vliegen, maken insectenbloemen relatief weinig stuifmeel aan.
Wanneer een insect nectar zoekt, strijkt het met zijn lijf langs de meeldraden waardoor stuifmeel blijft plakken. Bij een volgend bloembezoek blijft dit stuifmeel aan de stempel kleven.
Windbloemen
Bij windbloemen zorgt de wind voor de bestuiving. Omdat zij geen insecten hoeven te lokken, zien ze er heel anders uit:
•De bloemen zijn vaak klein, onopvallend en hebben meestal groene kroonbladeren.
•De helmknoppen hangen vaak slap buiten de bloem, zodat de wind het stuifmeel gemakkelijk kan wegblazen.
•De stempels zijn groot en veervormig en steken buiten de bloem uit om zwevend stuifmeel op te vangen.
•De stuifmeelkorrels zijn licht en glad, zodat ze gemakkelijk door de lucht zweven.
•De kans dat een stuifmeelkorrel door de wind toevallig op de juiste stempel terechtkomt is erg klein. Daarom produceren windbloemen heel veel stuifmeel.
In de onderstaande tabel worden de belangrijkste verschillen tussen insectenbloemen en windbloemen overzichtelijk weergegeven:
Kenmerk | Insectenbloemen | Windbloemen |
|---|---|---|
Grootte en kleur | Groot en opvallend gekleurd | Klein, onopvallend en meestal groen |
Lokmiddelen | Geur en zoete nectar | Geen lokmiddelen |
Helmknoppen en stempels | Binnen de bloem; stempels zijn klein | Hangen buiten de bloem; stempels zijn groot en veervormig |
Stuifmeelkorrels | Ruw, kleverig en in kleine hoeveelheden | Licht, glad en in zeer grote hoeveelheden |
Bevruchting
Nadat de bestuiving succesvol is verlopen, kan de bevruchting plaatsvinden. Dit is het versmelten van de kern van de stuifmeelkorrel met de eicelkern. Dit proces verloopt in de volgende stappen:
1.Een stuifmeelkorrel landt op de stempel van een bloem van dezelfde soort en vormt een lange stuifmeelbuis.
2.De stuifmeelbuis groeit door de stijl heen naar een zaadbeginsel dat zich in het vruchtbeginsel bevindt.
3.Zodra de stuifmeelbuis het zaadbeginsel bereikt, barst de top van de buis open.
4.De kern van de stuifmeelkorrel verplaatst zich door de stuifmeelbuis naar het zaadbeginsel, dringt de eicel binnen en versmelt met de eicelkern.
In een vruchtbeginsel kunnen meerdere zaadbeginsels liggen. Er kunnen dan ook meerdere stuifmeelbuizen tegelijkertijd naar verschillende zaadbeginsels groeien. Uit elk zaadbeginsel waarvan de eicel bevrucht is, kan een zaadje ontstaan.
Veranderingen na de bevruchting
Na een succesvolle bevruchting ondergaat de bloem grote veranderingen:
•Uit de bevruchte eicel ontstaat een kiempje (de basis voor een nieuwe plant).
•Het zaadbeginsel groeit uit tot een zaad, waarin het kiempje goed beschermd zit.
•Zaadbeginsels waarvan de eicel niet bevrucht is, verschrompelen.
•De kroonbladeren vallen af, en de kelkbladeren en meeldraden verschrompelen meestal.
•De wand van het vruchtbeginsel wordt groter en dikker en groeit uit tot een vrucht met daarin de zaden (zoals bij een sperzieboon).
Verspreiding van vruchten en zaden
Als alle zaden direct onder de ouderplant op de grond zouden vallen, zouden de jonge kiemplantjes moeten concurreren om licht, water en ruimte. Om dit te voorkomen is zaadverspreiding noodzakelijk. Vruchten zorgen ervoor dat zaden kunnen worden verspreid. Er zijn drie belangrijke manieren van zaadverspreiding:
•Verspreiding door de wind: deze vruchten en zaden hebben speciale hulpmiddelen om lang in de lucht te blijven zweven. Voorbeelden zijn de pluisjes van de paardenbloem en de vleugels van de esdoorn.
•Verspreiding door dieren: dit kan op twee manieren gebeuren:
•Eten van vruchten: sommige planten maken vruchten met sappig vruchtvlees (zoals de lijsterbes). Dieren eten deze vruchten op. De zaden verteren niet in het maag-darmkanaal en worden elders met de uitwerpselen uitgepoept.
•Meeliften op de vacht of kleding: sommige vruchten en zaden hebben weerhaakjes (zoals de grote klis) waarmee ze blijven kleven aan de vacht van dieren of kleding van mensen.
•Zelfverspreiding: sommige planten verspreiden hun zaden zelf doordat de vruchten onder spanning openspringen, waardoor de zaden met kracht worden weggeslingerd (zoals bij het groot springzaad).