Wat is populisme en hoe is het ontstaan in Zuid-Amerika?
Leerdoelen
•Je kunt de aanhoudende sociale ongelijkheid in Zuid-Amerika verklaren.
•Je kunt beschrijven hoe het populisme zich heeft ontwikkeld in Zuid-Amerika.
•Je kunt de opkomst en het functioneren van militaire dictaturen in Zuid-Amerika in de jaren 1970-1990 uitleggen.
•Je kunt de redenen benoemen waarom democratisch gekozen regeringen in Zuid-Amerika kozen voor het neoliberalisme als economisch systeem.
Politieke ontwikkelingen in Zuid-Amerika
De politieke geschiedenis van Zuid-Amerika is complex en kenmerkt zich door periodieke verschuivingen tussen verschillende ideologieën en machtsstructuren. Al eeuwenlang spelen sociale ongelijkheid en politieke instabiliteit een grote rol.
De koloniale periode: 1500-1800
In de koloniale periode bezat een kleine elite alle grond. Europese kolonisten, met name Spanje en Portugal, verdeelden het continent en drongen niet overal even diep door. Hierdoor bleven inheemse gebieden vaak ongekoloniseerd. Deze periode zag de opkomst van cliëntelisme, een systeem waarbij politieke steun wordt gegeven in ruil voor bescherming of diensten. Dit legde de basis voor een vorm van afhankelijkheid, bijna horigheid, waarbij grote delen van de bevolking economisch en politiek afhankelijk waren van de landeigenaar. Tot 1860-1870 was slavernij wijdverbreid, vooral in Brazilië, waar het het langst en sterkst aanwezig was.
De oligarchie: 1800-1930
Na de koloniale periode volgde een lange periode van oligarchie, waarin de elite, veelal afstammelingen van kolonisten en vaak wit, nog steeds de absolute macht had. Deze grootgrondbezitters verdienden hun geld voornamelijk met de export van landbouwproducten. De ongelijkheid in deze periode nam alleen maar toe. De politieke macht bleef geconcentreerd bij deze kleine groep.
Opkomst van het populisme: 1930-1950
Tussen 1930 en 1950 zag Zuid-Amerika, met name landen als Argentinië en Brazilië, de opkomst van het populisme. Populistische leiders probeerden de macht van de elite te beperken en gingen soms over tot nationalisatie van bedrijven. Dit ging vaak gepaard met industrialisatie en leidde in sommige gevallen tot tijdelijke welvaartsverbetering, vooral voor de stedelijke bevolking.
Militaire dictaturen: 1950-1980
Na 1950 brak een sombere periode aan, gekenmerkt door veel militaire dictaturen, vooral tussen 1970 en 1990. Landen zoals Argentinië, Brazilië, Chili, Paraguay en Uruguay kenden veel mensenrechtenschendingen. Deze militaire junta's grepen de macht vaak aan vanwege economische onrust en de angst voor het communisme tijdens de Koude Oorlog, met steun van de Verenigde Staten. Ironisch genoeg verslechterde de economie in veel van deze landen onder militair bewind vaak verder.
Democratisering: na 1980
Na 1980 begon de periode van democratisering. Nieuw gekozen regeringen erfden echter vaak een economische puinhoop. Ondanks de aanwezigheid van linkse presidenten, werd vaak gekozen voor het neoliberalisme als economisch systeem. Dit betekende privatisering, bezuinigingen en openstelling voor vrijhandel, vaak onder druk van internationale instellingen zoals de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds.
Vrijhandel: na 1990
Vanaf 1990, met de start van de globalisering, nam de vrijhandel in Zuid-Amerika toe. Dit leidde tot een toename van de welvaart, mede door de export van natuurlijke hulpbronnen. Deze welvaartsgroei was echter niet zonder haperingen; onrust en crises, zoals in Argentinië en Venezuela, bleven voorkomen.
Verkiezingswinsten linkse kandidaten: Na 2000
Na 2000 behaalden linkse kandidaten vaker verkiezingsoverwinningen, wat soms leidde tot het terugdringen van neoliberale ideeën en de invoering van sociale programma's, bijvoorbeeld in Brazilië.
Conservatieve en linkse presidenten wisselen elkaar af: na 2018
De welvaartsgroei zette zich voort, maar na 2018 is er een duidelijke trend van afwisseling tussen conservatieve en linkse presidenten. Dit gaat gepaard met een toename van politieke polarisatie en sociale polarisatie.
Dieper inzicht in de perioden
De koloniale periode en de feodale structuur
De overheersing door Spanje en Portugal legde de basis voor een diepgewortelde ongelijkheid. Een kleine koloniale elite bezat de grond en hiermee ontstond direct een vorm van afhankelijkheid. Hoewel slavernij uiteindelijk werd afgeschaft (in Brazilië pas rond 1860-1870), bleven veel mensen in een situatie van horigheid leven. Er ontwikkelde zich een feodale structuur, waarbij grootgrondbezitters grond verdeelden aan boeren in ruil voor een deel van de opbrengsten, diensten en politieke trouw. Dit cliëntelisme, of politieke klantenbinding, zorgde ervoor dat de bevolking op het platteland weinig te zeggen had.
Langs de rivieren en in vruchtbare gebieden, vooral in Brazilië, Argentinië en Chili, verrezen de traditionele haciënda's. Deze landhuizen en boerderijen waren vaak gebouwd op machtige plekken, soms zelfs bovenop oude forten of gebouwen van de inheemse bevolking, wat de nieuwe machtsverhoudingen duidelijk weerspiegelde.
Het voortbestaan van dit feodale stelsel na de onafhankelijkheid (rond 1825, veel vroeger dan in Afrika) is een cruciale oorzaak van de economische achterstand, de aanhoudende sociale ongelijkheid en de vele politieke problemen in Zuid-Amerika tot op de dag van vandaag. De vlucht van het platteland naar de stad is hier een direct gevolg van.

De rol van de oligarchieën
In de periode na 1800 behielden de oligarchieën (de elites) de controle. Deze elites waren overwegend wit en afstammelingen van de kolonisten. Op het platteland waren zij de eigenaren van de zogenaamde latifunda's: grote boerderijen gericht op exportgewassen, waarmee veel geld werd verdiend. Ook in de steden hadden deze elites de touwtjes in handen als eigenaars van fabrieken en industrie. Via twee wegen, het platteland en de stad, domineerden zij de economie en verdeelden zij de gunsten, voortbouwend op het principe van cliëntelisme.
Om de samenleving te organiseren ontstond een bureaucratie, maar deze was door het diepgewortelde cliëntelisme gevoelig voor corruptie. Dit leidde tot een slechte organisatie van de overheid, en regelmatig tot geweld en onrust, aangezien niet iedereen zich hierin kon vinden. Deze problemen, cliëntelisme, bureaucratie, corruptie en geweld, zijn tot op de dag van vandaag in verschillende mate aanwezig.
Populisme als reactie op ongelijkheid
Rond 1930 zagen Zuid-Amerikaanse landen de opkomst van het populisme, gevoed door de groeiende ongelijkheid en onvrede onder de bevolking. Populistische leiders waren vaak charismatisch en creëerden soms een persoonlijkheidscultus rondom zichzelf en hun familie. Zij spraken namens "de mensen" of "het volk", wat hen enorm aantrekkelijk maakte. Een voorbeeld hiervan is Juan Perón in Argentinië.
De invloed van Perón en zijn echtgenote Evita was zo groot dat de ideologie van het Peronisme nog steeds voortleeft, bijvoorbeeld bij politici zoals Néstor en Cristina Kirchner. Dit illustreert de diepe wortels en soms de complexe, dynastieke aard van de Zuid-Amerikaanse politiek.
In deze periode stimuleerden populistische regeringen vaak importsubstitutie, wat betekent dat landen zelf goederen gingen produceren die voorheen werden geïmporteerd. De Peronisten gingen zelfs over tot nationalisatie van bedrijven. Dit beleid zorgde voor een tijdelijke welvaartsstijging, met name onder de stedelijke bevolking die werk vond in de opkomende industrie. Echter, deze opleving bleek van korte duur en de onrust nam uiteindelijk weer toe.
Militaire dictaturen en de Koude Oorlog
Vanaf de jaren 1970 werden veel Zuid-Amerikaanse landen overheerst door militaire dictaturen. De Koude Oorlog speelde hierbij een belangrijke rol: de Verenigde Staten wilden het communisme in de regio tegengaan en wantrouwden elke linkse of socialistische kandidaat die verkiezingen won. Binnenlandse onrust door economische achteruitgang en de onvrede over nationalisaties van bedrijven (die buitenlandse investeerders afschrikten) gaven de militairen de gelegenheid om de macht te grijpen middels een staatsgreep. Deze staatsgrepen verliepen vaak bloedig, zoals het bombardement op het paleis van de Chileense president in 1973.
Onder deze dictaturen vonden veel mensenrechtenschendingen plaats. Hoewel er soms korte economische oplevingen waren die door sommigen positief werden herinnerd, kregen bijna alle dictaturen na 1985 te maken met grote economische crises, wat uiteindelijk leidde tot hun verdwijning.
Economische ontwikkelingen en neoliberalisme
De economische ontwikkeling van Zuid-Amerikaanse landen is zeer divers maar kent ook veel kwetsbaarheden. Brazilië heeft bijvoorbeeld industrialisatie en tertiarisatie (groei van de dienstensector) doorgemaakt, wat leidde tot een enorme welvaartsgroei. Argentinië daarentegen kampte met vele financiële crises, hyperinflatie en een enorme schuldenlast. Colombia werd jarenlang verscheurd door een burgeroorlog en de zogenaamde 'coca-economie'. Venezuela, als oliestaat, is sterk afhankelijk van de schommelingen in de olieprijs. Wat de meeste landen gemeen hebben, is hun afhankelijkheid van de export van grondstoffen en landbouwproducten, wat hen kwetsbaar maakt voor prijsschommelingen op de wereldmarkt.
Als antwoord op de economische crises na 1985 werd in veel landen gekozen voor de introductie van neoliberale ideeën. Dit betekende dat landen die financiële hulp wilden van bijvoorbeeld de Wereldbank of het Internationaal Monetair Fonds, moesten privatiseren (genationaliseerde bedrijven werden weer particulier eigendom) en flink moesten bezuinigen. Deze periode viel samen met een toename van vrijhandel en buitenlandse investeringen. Hoewel de welvaart over het geheel toenam, leidde dit beleid vaak tot een verdere toename van de sociale ongelijkheid, omdat sociale programma's werden geschrapt.
De elites, als eigenaren van fabrieken, aandeelhouders of grootgrondbezitters, waren de grootste winnaars van deze ontwikkelingen. Sociale programma's, onderwijs en zorg werden duurder voor de gewone bevolking. Een ander aanhoudend probleem is het gebrek aan goed georganiseerde overheden, ook wel good governance genoemd. Dit uit zich in problemen met de kwaliteit van rechtspraak, persvrijheid en aanhoudende corruptie.
Hedendaagse uitdagingen en polarisatie
De sociale onrust blijft een constante factor in Zuid-Amerika, mede door de onzekerheid over welvaartsgroei en de aanhoudende sociale ongelijkheid. In landen met een grote inheemse bevolking, zoals Bolivia, Ecuador en Peru, is de inheemse bevolking steeds meer een machtsfactor geworden.
De laatste jaren kenmerken zich door een snelle afwisseling van links-populistische, neoliberale en conservatieve regeringen. Dit leidt tot een toenemende politieke polarisatie en heftige verkiezingscampagnes, zoals recentelijk te zien was in Brazilië, Argentinië en Peru. Tegelijkertijd heeft de global shift ervoor gezorgd dat landen als India en China steeds belangrijkere handelspartners en politieke bondgenoten zijn geworden voor Zuid-Amerikaanse landen. De BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika) winnen aan zelfvertrouwen en zoeken minder de afhankelijkheid van West-Europese en Noord-Amerikaanse landen.
Deze combinatie van aanhoudende ongelijkheid, onzekere economische ontwikkeling (door afhankelijkheid van grondstoffenexport), politieke polarisatie en externe invloeden draagt bij aan de aanhoudende instabiliteit in de Zuid-Amerikaanse landen. De welvaart is wel gestegen, maar de onzekerheid en ongelijkheid blijven hoge proteststemmen en snelle politieke wisselingen veroorzaken, wat een consistente economische koers vaak bemoeilijkt.














