Bij welk klimaat hoort deze omschrijving?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen welke vorm(en) van landbouw er zijn in de verschillende klimaatgebieden.
•Je kunt uitleggen wat de belangrijke klimaatfactoren voor die vormen van landbouw zijn.
•Je kunt uitleggen welke nadelen/risico's er zitten aan die vormen van landbouw.
Het klimaatsysteem van Köppen
De Köppen-classificatie is een systeem voor het indelen van klimaten in categorieën zoals A, B, C, D en E.

A-klimaten
A-klimaten zijn klimaten die warm zijn en meestal veel neerslag ontvangen, met soms een droog seizoen. Ze hebben een zeer lang groeiseizoen, soms zelfs het hele jaar door.

Welke soorten landbouw zijn er in A-klimaten?
Irrigatie, het toevoegen van water aan landbouwgrond, is in A-klimaten vaak alleen nodig tijdens het droge seizoen, zoals bij Am- (moesson) of Aw-klimaten (droge winter).
Veelvoorkomende landbouwvormen zijn:
•Intensieve akkerbouw: landbouw met een hoge opbrengst per hectare. Het warme klimaat is gunstig.
•Tuinbouw: goed mogelijk, vaak zonder kassen.
•Extensieve veeteelt: veeteelt met relatief weinig dieren per hectare, gericht op vlees of leer in plaats van zuivel.
•Plantagelandbouw: gespecialiseerde landbouw met hoge opbrengsten per oogst, soms meerdere oogsten per jaar.
Welke risico's komen er voor bij A-klimaten?
Landbouw in A-klimaten kent specifieke risico's:
•Bodemuitputting: door de intensieve landbouw en enorme neerslag kan veel uitspoeling van mineralen plaatsvinden, waardoor de bodem snel uitgeput raakt.
•Ontbossing: het kappen van bossen komt veel voor in deze gebieden, vaak voor landbouwgrond.
•Bodemerosie: het wegspoelen of wegwaaien van vruchtbare grond, een gevolg van ontbossing en intensieve landbouw.

B-klimaten
B-klimaten zijn droge klimaten met weinig neerslag en een hoge verdamping. Hierdoor is het groeiseizoen kort of matig lang.

Welke soorten landbouw zijn er in B-klimaten?
Om gewassen te kunnen verbouwen, is besproeiing belangrijk dus irrigatie is essentieel.
Veelvoorkomende landbouwvormen zijn:
•Extensieve akkerbouw: weinig input per hectare en vaak met lage opbrengsten.
•Intensieve akkerbouw: veel input per hectare en hoge opbrengsten. Dit is mogelijk met voldoende irrigatie.
•Tuinbouw: komt voor in gebieden met voldoende water, zoals oases.
•Extensieve veeteelt (nomadisch): met weinig dieren op het land, en soms nomadisch, waarbij boeren met hun vee rondtrekken op zoek naar voedsel.
Welke risico's komen er voor bij B-klimaten?
•Overbeweiding / overbegrazing: te veel vee op schaars land, waardoor planten worden opgegeten en de bodem niet meer vastgehouden kan worden.
•Verzilting: toename van zout in de bodem. Dit kan komen door irrigatie (verdamping laat zout achter) of door capillaire werking, waarbij grondwater met zouten naar boven stijgt en in de bodem achterblijft.
•Uitputting van grondwater: het oppompen van water uit aquifers, ondergrondse waterhoudende lagen met vaak fossiel water, kan leiden tot uitputting, omdat deze lagen zich zeer langzaam aanvullen.


C-klimaten
C-klimaten, of zeeklimaten/Middellandse Zeeklimaten, kenmerken zich door milde winters en voldoende neerslag, wat zorgt voor een lang groeiseizoen.

Welke soorten landbouw zijn er in C-klimaten?
In droge periodes is er irrigatie nodig. Dit is vooral in CS-klimaten (Middellandse Zeeklimaat) vanwege droge zomers.
Veelvoorkomende landbouwvormen zijn:
•Intensieve akkerbouw: Bijna zonder uitzondering intensief, met hoge opbrengsten per hectare, zowel in natte zeeklimaten (Nederland) als in Middellandse Zeeklimaten (Italië).
•Tuinbouw: kassen worden gebruikt, al dan niet met verwarming, afhankelijk van de temperatuur.
•Veeteelt: Zowel intensieve als extensieve veeteelt komen voor, afhankelijk van de streek. Nederland heeft veel intensieve veeteelt, terwijl Spanje dit minder heeft.
•Specialisatie: Veel boerenbedrijven specialiseren zich in één gewas (bijv. tomaten) of diersoort (bijv. kippen), wat leidt tot zeer hoogwaardige landbouw en kassenbouw. Dit zorgt voor hogere opbrengsten.
Welke risico's komen er voor bij C-klimaten?
•Bodemverdichting: intensief gebruik van bodem waar zware machines of vee op natte grond de bodem samendrukken, vermindert de fysische en mechanische vruchtbaarheid door minder wateropslag en zuurstof.
•Mestoverschot: intensieve veeteelt kan leiden tot te veel mest, wat schadelijk kan zijn voor de bodem en de atmosfeer.
•Watervervuiling: bestrijdingsmiddelen en mest kunnen in water terechtkomen, wat de waterkwaliteit aantast.
•Verzilting: vooral in CS-klimaten kan onverantwoordelijke irrigatie (zonder bijvoorbeeld druppelirrigatie, die water direct bij de wortels afgeeft) leiden tot verzilting door verdamping.
•Bodemerosie: vooral in CS-klimaten en in gebieden met reliëf, waar neerslag gemakkelijk bodemdeeltjes kan meenemen.


D-klimaten
D-klimaten, of continentale klimaten, worden gekenmerkt door strenge winters en korte zomers. Hierdoor is er een kort groeiseizoen, tussen de drie en vijf maanden.

Welke soorten landbouw zijn er in D-klimaten?
Meestal is irrigatie niet nodig.
Veelvoorkomende landbouwvormen zijn:
•Intensieve en extensieve akkerbouw: beide vormen komen voor. Intensieve akkerbouw is vaak sterk gemechaniseerd en gericht op de teelt van tarwe.
•Tuinbouw: dit is beperkt, en vaak in kassen om voldoende warmte te garanderen.
•Extensieve veeteelt: vee moet in de winter naar binnen worden gehaald vanwege de extreme kou.
•Bosbouw: vaak te vinden in gebieden met D-klimaten, vooral waar de bevolkingsdichtheid laag is.
Welke risico's komen er voor bij D-klimaten?
•Misoogst: het grillige klimaat, bijvoorbeeld door vroege vorst, kan leiden tot een oogst die niet van het land gehaald kan worden.
•Bodemerosie: kan optreden bij grootschalige landbouw, vooral als er onvoldoende wordt gedaan om wind te breken of als land te lang braak ligt.

E-klimaten
E-klimaten zijn de koudste klimaten, met extreme kou en vaak permafrost (permanent bevroren ondergrond). Er is nauwelijks of geen groeiseizoen.

Welke soorten landbouw zijn er in E-klimaten?
In E-klimaten is irrigatie niet relevant, aangezien er nauwelijks een groeiseizoen is.
Veelvoorkomende landbouwvormen zijn:
•Akkerbouw: nauwelijks of niet aanwezig.
•Tuinbouw: alleen mogelijk in verwarmde kassen.
•Extensieve veeteelt: bijvoorbeeld het houden van rendierkuddes.
•Jacht en visserij: belangrijke andere vormen van voedselvoorziening.
Welke risico's komen er voor bij E-klimaten?
•Overbegrazing: er kan te veel vee op een klein gebied grazen, zoals de toendra, en dit kan leiden tot overbegrazing.
•Afhankelijkheid van import: landen in E-klimaten zijn voor hun voedselvoorziening sterk afhankelijk van import.















