Les over §1 Rivieren in Nederland

Les over §1 Rivieren in Nederland

Gemaakt door Ainstein
§1 Rivieren in Nederland
Deze video bestaat uit
  • De waterkringloopDe waterkringloop
  • Rivieren (algemeen)Rivieren (algemeen)
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 10:09
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe werken rivieren in Nederland en de waterkringloop?

Leerdoelen

Je kunt de waterkringloop beschrijven.

Je kunt de stroomgebieden van de grote Nederlandse rivieren en de loop van een rivier beschrijven.

Je kunt het verschil tussen de korte en de lange waterkringloop uitleggen.

Je kunt de begrippen debiet en regiem toepassen op rivieren.

Je kunt gletsjerrivieren, regenrivieren en gemengde rivieren van elkaar onderscheiden.

De waterkringloop

De hoeveelheid water op aarde blijft altijd hetzelfde. Water bevindt zich namelijk in de waterkringloop: het voortdurende proces waarbij water verdampt, condenseert en weer neervalt als neerslag. Neerslag valt meestal als regen, maar kent ook andere vormen zoals sneeuw of hagel. We maken onderscheid tussen twee typen waterkringlopen:

Korte waterkringloop: de zon verwarmt de bovenste laag van het zeewater. Hierdoor ontstaat verdamping, waarbij vloeibaar water verandert in waterdamp. De waterdamp stijgt op en koelt hoog in de atmosfeer af. Dit veroorzaakt condensatie: de waterdamp verandert weer in vloeibaar water. De ontstane waterdruppels vormen wolken en vallen als neerslag rechtstreeks terug in zee.

Lange waterkringloop: de neerslag valt niet in zee, maar op het land. Het proces waarbij dit water uiteindelijk weer terug in zee terechtkomt, heet afstroming. Dit kan bovengronds of ondergronds plaatsvinden en duurt van enkele uren tot miljoenen jaren.

Schematische weergave van de waterkringloop
Schematische weergave van de waterkringloop

Manieren van afstroming op het land

De manier waarop neerslag in de lange waterkringloop afstroomt, hangt af van de plek waar het terechtkomt:

Oppervlaktewater: dit is het zichtbare water aan het aardoppervlak, zoals rivieren, meren en sloten. Een deel van de neerslag verdampt hieruit, terwijl de rest via het oppervlaktewater naar zee stroomt. Dit kan enkele uren tot maanden duren.

Infiltratie en grondwater: neerslag die op de bodem valt, trekt voor een deel de grond in. Dit proces heet infiltratie. Een deel hiervan wordt opgenomen door planten en verdampt via hun bladeren. Het overige geïnfiltreerde water komt in het grondwater terecht: water dat zich onder het aardoppervlak tussen bodemdeeltjes bevindt. Dit beweegt langzaam naar zee.

Gletsjers en ijskappen: neerslag kan in koude gebieden terechtkomen op een gletsjer (een langzaam naar beneden schuivende ijsmassa) of een ijskap (een enorm grote, dikke laag ijs op land). Smeltwater van gletsjers stroomt via rivieren uiteindelijk weer naar zee.

Vrijwel al het water op aarde is zoutwater in zeeën en oceanen. Slechts een paar procent is zoetwater. Van dit zoetwater zit ongeveer twee derde in gletsjers en ijskappen en een derde in het grondwater. Slechts zo'n 1% van al het zoetwater is oppervlaktewater.

Stroomgebieden

Rivieren spelen een grote rol bij de afstroming van water. Een hoofdrivier vormt samen met al haar zijrivieren en beekjes een stroomstelsel. Het totale gebied waarvan alle neerslag en het grondwater via beekjes en zijrivieren naar één rivier stroomt, noem je het stroomgebied van die rivier. Nederland ligt in het stroomgebied van vier grote rivieren: de Rijn, Maas, Eems en Schelde. De Rijn splitst zich in Nederland in verschillende takken. De belangrijkste tak is de Waal, maar ook de Lek en de IJssel zijn vertakkingen van de Rijn. Gebergten of heuvels scheiden verschillende stroomgebieden van elkaar, omdat water niet over bergen heen kan stromen. Zo'n grens tussen stroomgebieden heet een waterscheiding.

De loop van een rivier

Een rivier bestaat van het begin tot de uitmonding uit drie opeenvolgende delen:

Overzicht van de drie delen van een rivier: bovenloop, middenloop en benedenloop
Overzicht van de drie delen van een rivier: bovenloop, middenloop en benedenloop

Bovenloop: dit deel bevindt zich direct na de bron (het begin van de rivier). De rivier is hier smal en stroomt snel door het grote hoogteverschil. Door de snelle stroming neemt de rivier allerlei materiaal mee, zoals keien, grind, zand en klei. Wanneer de stroming afneemt, zakken zware keien naar de bodem. Materiaal dat door een rivier is afgezet, heet sediment. Het afzetten zelf noem je sedimentatie.

Middenloop: in dit heuvelachtige landschap stroomt de rivier langzamer en wordt breder. De rivier begint te meanderen (kronkelen). In de buitenbocht stroomt het water snel en slijt de oever uit. In de binnenbocht stroomt het water langzamer, waardoor middelzware materialen zoals grind en grof zand naar de bodem zakken en de oever langzaam aangroeit.

Benedenloop: het laatste deel van de rivier in een vlak landschap. De stroming is heel traag, waardoor de allerkleinste deeltjes zoals fijn zand, klei en resten van planten en dieren naar de bodem zakken. Dit fijne sediment heet slib. Vlak voor de monding (het punt waar de rivier in zee stroomt) kan de rivier zich vertakken in een netwerk van zijtakken. Dit heet een delta. De bodem in een delta is zeer vruchtbaar door het afgezette slib.

Afvoer van water: debiet en regiem

Niet elke rivier voert evenveel water af. De hoeveelheid water die per seconde op een bepaalde plek door een rivier stroomt, heet het debiet. De schommeling van het debiet van een rivier in de loop van een jaar noem je het regiem. Een regiem is onregelmatig als het debiet sterk schommelt, en regelmatig als het debiet nauwelijks verandert. Op basis van de herkomst van het water onderscheiden we drie typen rivieren:

Gletsjerrivieren: bestaan vooral uit smeltwater van gletsjers. Het debiet is groot in de zomer (veel smeltend ijs) en klein in de winter.

Regenrivieren: krijgen hun water voornamelijk uit neerslag (zoals de Maas). Hoewel de neerslag redelijk gelijkmatig over het jaar valt, is het debiet in de zomer kleiner dan in de winter doordat er 's zomers meer water verdampt.

Gemengde rivieren: voeren zowel smeltwater als regenwater af (zoals de Rijn). Het debiet schommelt gedurende het jaar minder sterk, omdat er in de zomer meer smeltwater is en in de winter meer regenwater.

Wanneer het debiet toeneemt door veel neerslag of smeltwater, stijgt de waterstand (het waterpeil). De maximale waterafvoer van een rivier in een periode met veel aanvoer noem je de piekafvoer.