Voordat de farao de centrale leider van Egypte werd en het land een verenigde staat vormde, bestond de samenleving uit kleinere gemeenschappen. Er was in die periode nog geen overkoepelend bestuur voor het hele land. De politieke leiding was waarschijnlijk lokaal georganiseerd, bijvoorbeeld door stamhoofden of dorpsoudsten.
De opkomst van de farao en de complexe politieke structuren was geen plotselinge gebeurtenis, maar een geleidelijk proces dat voortkwam uit de toenemende complexiteit van de Egyptische samenleving. Dit proces omvatte de volgende stappen:
- Irrigatielandbouw: Door het succes van de irrigatielandbouw ontstonden er overschotten aan voedsel.
- Specialisatie en handel: Deze overschotten zorgden ervoor dat niet iedereen meer boer hoefde te zijn. Mensen konden zich specialiseren in ambachten of handel.
- Groei van steden: De specialisatie en handel leidden ertoe dat dorpen uitgroeiden tot steden.
- Noodzaak van structuren: Met de groei van steden en een steeds complexere economie werd het noodzakelijk om sociale en politieke structuren te vormen om alles te organiseren en te besturen.
Rond 3000 voor Christus kwam de farao aan de macht als de noodzakelijke leider om deze steeds complexer wordende samenleving te besturen, wetten uit te voeren en belastingen te innen. De farao zelf werd gezien als een combinatie van een koning én een god in één persoon; hij was dus een mens, maar wel met een goddelijke status.