In het Frans zijn er diverse grammatica onderwerpen die essentieel zijn om de taal te begrijpen en correct toe te passen. Voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, die de basis legt voor verdere studie, komen onder andere de volgende onderwerpen aan bod:
- Werkwoorden:
- Regelmatige en onregelmatige werkwoorden
- Vervoegingen in de présent (tegenwoordige tijd), passé composé (voltooid verleden tijd), imparfait (onvoltooid verleden tijd), futur (toekomende tijd, zowel proche als simple) en conditionnel (voorwaardelijke wijs)
- Vraagwoorden: Franse vraagwoorden (bijvoorbeeld: qui, que, où, quand, comment, pourquoi)
- Lidwoorden: Het bepaald lidwoord (le, la, les), onbepaald lidwoord (un, une, des) en het delend lidwoord (du, de la, de l', des)
- Voorzetsels: Voorzetsels (bijvoorbeeld: à, de, en, sur, sous)
- Samenvoegingen: Samenvoegingen (bijvoorbeeld: au (à + le), aux (à + les), du (de + le), des (de + les))
- Kloktijden: Het uitdrukken van kloktijden
- Voornaamwoorden:
- Aanwijzende voornaamwoorden (bijvoorbeeld: ce, cette, ces)
- Bijvoeglijke voornaamwoorden (bijvoorbeeld: grand, petite)
- Bezittelijke voornaamwoorden (bijvoorbeeld: mon, ma, mes)
- Overig:
- De ontkenning (bijvoorbeeld: ne...pas)
- Het lijdend voorwerp (COD - Complément d'Objet Direct)
- Wederkerende werkwoorden (bijvoorbeeld: se laver)
- Het meewerkend voorwerp (COI - Complément d'Objet Indirect)
- De gebiedende wijs (imperatief)
Deze basisgrammatica is fundamenteel en vormt de voorkennis die nodig is voor de complexere grammaticaonderwerpen in de bovenbouw.