Fenotype en genotype hebben elk specifieke eigenschappen, waarbij het fenotype de waarneembare kenmerken omvat en het genotype de onderliggende genetische informatie.
-
Fenotype: Dit zijn alle waarneembare eigenschappen van een organisme, die zowel door het genotype als door omgevingsfactoren worden bepaald.
- Zichtbare eigenschappen van het fenotype: Dit zijn de kenmerken die je met het blote oog kunt zien.
- Je oogkleur (bijvoorbeeld bruin of blauw).
- Je haarkleur (bijvoorbeeld blond of zwart).
- Onzichtbare eigenschappen van het fenotype: Het fenotype zijn de zichtbare eigenschappen. Er zijn dus geen 'onzichtbare eigenschappen' van het fenotype in de zin van kenmerken die tot het fenotype behoren maar niet waarneembaar zijn.
-
Genotype: Dit is de complete set van genetische informatie (DNA) die een organisme bezit. Het genotype is zelf niet direct zichtbaar.
- Onzichtbare eigenschappen van het genotype: Het genotype zelf is de erfelijke informatie en is dus niet zichtbaar. Het bepaalt wel de aanleg voor bepaalde eigenschappen.
- De specifieke genen die de aanleg bepalen voor een bepaalde oogkleur (bijvoorbeeld de genen voor bruine ogen).
- De genetische code voor een specifieke bloedgroep (bijvoorbeeld de genen voor bloedgroep A, B of O).
- Zichtbare eigenschappen van het genotype: Het genotype is de onderliggende genetische code en is zelf niet zichtbaar. Het manifesteert zich in het fenotype.