LEO-satellieten bevinden zich in een 'Low Earth Orbit' op een hoogte tot ongeveer 1400 kilometer. Door hun relatief lage hoogte en snelle omlooptijd vliegen ze snel over verschillende gebieden van de aarde. Hoewel ze niet boven één vast punt blijven hangen, bestrijken ze in de loop van de tijd wel een groot deel van het aardoppervlak. Deze eigenschappen maken LEO-satellieten bijzonder geschikt voor toepassingen die een snelle en gedetailleerde blik op diverse locaties vereisen, zoals aardobservatie, weermonitoring en wetenschappelijke experimenten.
Geostationaire satellieten zijn satellieten die zich op een hoogte van ongeveer 36.000 kilometer boven de evenaar bevinden. Het bijzondere kenmerk van deze satellieten is dat hun omlooptijd exact gelijk is aan de rotatietijd van de aarde. Hierdoor lijken ze stil te staan ten opzichte van een vast punt op het aardoppervlak. Deze vaste positie maakt geostationaire satellieten uitermate geschikt voor continue communicatie met een specifiek gebied, zoals radio- en televisiestraling, telecommunicatie en weersvoorspelling, omdat grondstations hun antennes niet constant hoeven bij te stellen om de satelliet te volgen.