Een domein in de middeleeuwen was een groot, zelfvoorzienend landgoed dat ontstond na de val van het West-Romeinse Rijk. In deze periode was er veel onveiligheid, weinig centrale overheid en nauwelijks geld in omloop. Boeren zochten bescherming bij rijke landeigenaren, die de 'domeinheer' werden. In ruil voor die bescherming stonden de boeren hun grond af en moesten ze een deel van hun oogst (pacht) en arbeid (herendiensten) leveren. Dit systeem wordt het hofstelsel genoemd.
Een domein was typisch opgebouwd uit drie delen:
- Vroonland: Dit was het land dat direct eigendom was van de domeinheer. Hier stonden zijn huis (de 'hof'), boerderijen, schuren en werkplaatsen. Lijfeigenen (mensen zonder bezit, volledig in dienst van de heer) werkten hier het grootste deel van de tijd. Horigen moesten hier ook regelmatig onbetaalde arbeid verrichten (herendiensten).
- Hoeveland: Dit was het land dat de horigen (de 'gewone' boeren) bewerkten. Ze kregen dit land in bruikleen van de domeinheer om hun eigen voedsel te verbouwen. In ruil daarvoor moesten ze een deel van hun oogst als pacht afstaan aan de domeinheer en herendiensten verrichten op het vroonland. Horigen mochten het domein niet zomaar verlaten.
- Woeste gronden: Dit waren de omliggende bossen, rivieren en moerassen. De opbrengsten hiervan, zoals hout, vis en vruchten, behoorden toe aan de domeinheer. Boeren mochten hier vaak wel gebruik van maken, bijvoorbeeld om vee te laten grazen of hout te sprokkelen, maar de controle lag bij de heer.
De domeinheer was de baas over het hele domein en de horigen en lijfeigenen werkten voor hem in ruil voor bescherming en een plek om te wonen en te werken.