Hypertoon en hypotoon zijn termen die de osmotische waarde van een omgeving of cel beschrijven, vaak in vergelijking met elkaar.
-
Hypertoon (of hypertonisch): Een omgeving of oplossing is hypertoon wanneer de concentratie van opgeloste stoffen (zoals zouten) daarin hoger is dan in een cel. Dit betekent dat er in die omgeving meer opgeloste deeltjes aanwezig zijn dan in de cel zelf. Water heeft de neiging om via osmose van een plek met een lagere concentratie opgeloste stoffen (hypotoon) naar een plek met een hogere concentratie opgeloste stoffen (hypertoon) te bewegen. Als een cel in een hypertone omgeving wordt geplaatst, zal water uit de cel naar de omgeving stromen, waardoor de cel krimpt.
- Voorbeeld: In de vacuole van een quinoaplant worden zoutionen opgeslagen. Hierdoor stijgt de concentratie van opgeloste stoffen binnen de vacuole, waardoor de vacuole hypertoon wordt ten opzichte van de rest van de cel.
-
Hypotoon (of hypotonisch): Een omgeving of oplossing is hypotoon wanneer de concentratie van opgeloste stoffen daarin lager is dan in een cel. Dit betekent dat er minder opgeloste deeltjes in de omgeving zijn dan in de cel. Als een cel in een hypotone omgeving wordt geplaatst, zal water van de omgeving naar de cel stromen, waardoor de cel opzwelt en mogelijk barst (bij dierlijke cellen) of steviger wordt (bij plantencellen, door de celwand).
Relatie tussen hypertoon en hypotoon:
Deze termen zijn relatief. Als een omgeving hypertoon is ten opzichte van een cel, dan is die cel automatisch hypotoon ten opzichte van die omgeving. Ze beschrijven elkaars tegenovergestelde in de context van osmotische waarde.
Samengevat:
- Hypertoon: Hogere concentratie opgeloste stoffen, water stroomt erheen.
- Hypotoon: Lagere concentratie opgeloste stoffen, water stroomt er vandaan.