De paus had in de late middeleeuwen veel macht om verschillende redenen. Ten eerste was de paus het absolute hoofd van de katholieke kerk en benoemde hij bisschoppen. Deze bisschoppen hadden niet alleen religieuze taken, maar voerden soms ook wereldlijke taken uit als leenmannen van de vorst, wat de paus veel invloed gaf op zowel kerkelijke als wereldlijke zaken. Ten tweede claimde de paus niet alleen geestelijke macht (over het geloof), maar ook wereldlijke macht. Dit betekende dat hij vond dat hij zeggenschap moest hebben over het bestuur en de rechtspraak in gebieden, zelfs over koningen en keizers. Ten slotte stelde de kerk, onder leiding van de paus, centrale geloofsregels vast en richtte zij kerkelijke rechtbanken op, zoals de inquisitie. Hiermee kon afwijkend denken worden aangepakt, wat de eenheid en macht van de kerk enorm versterkte.