De Nederlandse economie ging in de 18e eeuw, na de Gouden Eeuw (vanaf ongeveer 1648), achteruit. De economische voorsprong die de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had opgebouwd, nam af.
Dit kwam door verschillende factoren:
- Opkomst van andere landen: Omringende landen, zoals Frankrijk en Engeland, werden stabieler na hun eigen conflicten en gingen hun eigen economieën beschermen. Frankrijk paste bijvoorbeeld mercantilisme toe onder Lodewijk XIV en zijn minister Colbert, waarbij buitenlandse producten duurder werden gemaakt met invoerrechten. Engeland voerde scheepvaartwetten in die de Nederlandse handel over zee direct raakten.
- Veranderingen binnen de Republiek:
- Regenten investeerden minder in nieuwe technieken en gingen meer rentenieren op hun opgebouwde welvaart en leningen.
- Innovatie stagneerde. Er werd minder geïnvesteerd in ontwikkelingen zoals scheepsbouw (bijvoorbeeld het fluitschip) of nieuwe gewassen.
- Bestuursbaantjes werden steeds vaker onderling verdeeld, wat het moeilijker maakte voor anderen om op te klimmen.
Als gevolg van deze ontwikkelingen verloor Amsterdam zijn positie als het belangrijkste handelscentrum van Noordwest-Europa aan Londen. Hoewel de handel en innovatie achteruitgingen, bleef de Republiek wel een belangrijk financieel centrum, mede doordat veel regenten geld uitleenden en daar winst mee maakten.