De Franse Revolutie begon in 1789 door de geldproblemen van koning Lodewijk XVI en de onvrede over de standenmaatschappij. Toen de koning de Staten-Generaal bijeenriep om nieuwe belastingen te bespreken, ontstond er ruzie over de stemprocedure.
Dit leidde tot de oprichting van de Nationale Vergadering door de derde stand, die een grondwet wilde. De revolutie barstte echt los met de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789.
De Nationale Vergadering schafte privileges af, voerde de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger in en stelde in 1791 een grondwet op, waardoor Frankrijk een constitutionele monarchie werd.
Radicale groepen, zoals de Jakobijnen, vonden dit niet ver genoeg gaan. Zij namen de koning gevangen, riepen in 1792 de republiek uit en onthoofdden Lodewijk XVI in 1793.
Hierna volgde de radicale fase onder leiding van Maximilien Robespierre, bekend als het Schrikbewind. Veel tegenstanders werden geëxecuteerd, totdat Robespierre zelf in 1794 werd afgezet en onthoofd.
De chaos eindigde toen Napoleon Bonaparte in 1799 via een staatsgreep de macht greep en zichzelf tot keizer kroonde, waarmee de Franse Revolutie officieel ten einde kwam.