Een evenwijdig verschoven aanbodlijn ontstaat wanneer de aangeboden hoeveelheid van een product verandert bij elke prijs, als gevolg van factoren die niet de prijs zijn. Denk hierbij aan technologische innovaties, veranderingen in de kosten van grondstoffen, subsidies of belastingen. Een verandering in de prijs zelf zorgt er alleen voor dat je langs de bestaande aanbodlijn beweegt, niet dat de lijn verschuift.
Wanneer de aanbodlijn verschuift, verandert ook de aanbodfunctie. Als producenten bij elke prijs meer aanbieden, verschuift de lijn naar rechts en wordt er een positief getal bij de hoeveelheid opgeteld in de functie. Als ze minder aanbieden, verschuift de lijn naar links en wordt er een getal afgetrokken.
Laten we dit uitleggen met het voorbeeld dat je gaf:
Opdracht: Teken de oorspronkelijke en de verschoven aanbodlijn
Stel, de oorspronkelijke aanbodfunctie voor een product is:
QA=4P−20
Hierbij is QA de aangeboden hoeveelheid en P de prijs.
Stap 1: Teken de oorspronkelijke aanbodlijn (A0)
Om deze lijn te tekenen, heb je minimaal twee punten nodig.
-
Bepaal het snijpunt met de prijs-as (waar QA=0):
0=4P−20
4P=20
P=5
Dit geeft het punt (hoeveelheid=0, prijs=5). Dit betekent dat producenten pas iets aanbieden als de prijs minimaal €5 is.
-
Kies een hogere prijs en bereken de hoeveelheid:
Laten we bijvoorbeeld P=10 kiezen:
QA=4×10−20
QA=40−20
QA=20
Dit geeft het punt (hoeveelheid=20, prijs=10).
Stap 2: Bepaal de nieuwe aanbodfunctie na een verschuiving
Stel, er vindt een technologische innovatie plaats. Hierdoor kunnen producenten het product efficiënter en goedkoper produceren. Dit heeft als gevolg dat ze bij elke prijs 10 eenheden meer kunnen aanbieden.
De oorspronkelijke functie was QA=4P−20.
Omdat ze bij elke prijs 10 eenheden meer aanbieden, tel je 10 op bij de aangeboden hoeveelheid (QA).
De nieuwe aanbodfunctie (QA,nieuw) wordt dan:
QA,nieuw=(4P−20)+10
QA,nieuw=4P−10
Stap 3: Teken de nieuwe aanbodlijn (A1)
Ook voor deze nieuwe lijn heb je twee punten nodig:
-
Bepaal het snijpunt met de prijs-as (waar QA,nieuw=0):
0=4P−10
4P=10
P=2,5
Dit geeft het punt (hoeveelheid=0, prijs=2,5). Door de innovatie zijn producenten nu al bereid om aan te bieden bij een lagere prijs.
-
Kies dezelfde hogere prijs als eerder en bereken de nieuwe hoeveelheid:
Laten we weer P=10 kiezen:
QA,nieuw=4×10−10
QA,nieuw=40−10
QA,nieuw=30
Dit geeft het punt (hoeveelheid=30, prijs=10). Bij dezelfde prijs van €10 bieden producenten nu 30 eenheden aan, in plaats van 20.
Stap 4: Plot de punten en teken de lijnen in een assenstelsel
-
Teken een assenstelsel:
- Zet de prijs (P) op de verticale as (y-as).
- Zet de aangeboden hoeveelheid (Q) op de horizontale as (x-as).
- Zorg voor een duidelijke schaalverdeling.
-
Plot de punten voor de oorspronkelijke aanbodlijn (A0):
- Punt 1: (0, 5)
- Punt 2: (20, 10)
- Trek een lijn door deze punten en label deze als A0.
-
Plot de punten voor de nieuwe aanbodlijn (A1):
- Punt 1: (0, 2,5)
- Punt 2: (30, 10)
- Trek een lijn door deze punten en label deze als A1.
Je zult zien dat de nieuwe aanbodlijn (A1) evenwijdig aan de oorspronkelijke aanbodlijn (A0) naar rechts is verschoven. Dit betekent dat bij elke prijs een grotere hoeveelheid wordt aangeboden.
Samenvatting van de verschuiving:
- Oorzaak: Een niet-prijsfactor (technologische innovatie).
- Gevolg voor functie: De constante in de aanbodfunctie verandert (van -20 naar -10).
- Gevolg voor grafiek: De hele aanbodlijn verschuift evenwijdig naar rechts (meer aanbod bij elke prijs).