Hoe maak je een vectorvoorstelling van een lijn?

Hoe maak je een vectorvoorstelling van een lijn?

Wiskunde BWiskunde B

Hoe maak je een vectorvoorstelling van een lijn?

Hoe maak je een vectorvoorstelling van een lijn?

Antwoord van Ainstein

Om een vectorvoorstelling van een lijn te maken, heb je een steunvector (een punt op de lijn) en een richtingsvector nodig. Als je de richtingscoëfficiënt ('m') van de lijn hebt, kun je deze gebruiken om de richtingsvector te bepalen.

De algemene vorm van een richtingsvector, wanneer je de richtingscoëfficiënt 'm' kent, is: (1m)\begin{pmatrix} 1 \\ m \end{pmatrix}

Voorbeeld 1: Richtingscoëfficiënt m=113m = 1\frac{1}{3}

  1. Vul 'm' in de richtingsvector in: (1113)\begin{pmatrix} 1 \\ 1\frac{1}{3} \end{pmatrix}
  2. Vereenvoudig de vector (optioneel, maar vaak handig): Om de breuk weg te werken en met hele getallen te werken, kun je de hele vector vermenigvuldigen met de noemer van de breuk (in dit geval 3). De richting van de lijn verandert hierdoor niet. 3×(1113)=(3×13×43)=(34)3 \times \begin{pmatrix} 1 \\ 1\frac{1}{3} \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 3 \times 1 \\ 3 \times \frac{4}{3} \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 3 \\ 4 \end{pmatrix}
  3. Stel de vectorvoorstelling op: Als je een punt op de lijn hebt, bijvoorbeeld (314,26)(3\frac{1}{4}, 26), dan wordt de vectorvoorstelling: (xy)=(31426)+λ(34)\begin{pmatrix} x \\ y \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 3\frac{1}{4} \\ 26 \end{pmatrix} + \lambda \begin{pmatrix} 3 \\ 4 \end{pmatrix}

Voorbeeld 2: Richtingscoëfficiënt m=225m = -2\frac{2}{5}

  1. Vul 'm' in de richtingsvector in: (1225)\begin{pmatrix} 1 \\ -2\frac{2}{5} \end{pmatrix}
  2. Vereenvoudig de vector: Vermenigvuldig de hele vector met 5 om de breuk weg te werken. 5×(1225)=(5×15×125)=(512)5 \times \begin{pmatrix} 1 \\ -2\frac{2}{5} \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 5 \times 1 \\ 5 \times -\frac{12}{5} \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 5 \\ -12 \end{pmatrix}
  3. Stel de vectorvoorstelling op: Als je hetzelfde punt (314,26)(3\frac{1}{4}, 26) gebruikt voor de steunvector, dan wordt de vectorvoorstelling: (xy)=(31426)+λ(512)\begin{pmatrix} x \\ y \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 3\frac{1}{4} \\ 26 \end{pmatrix} + \lambda \begin{pmatrix} 5 \\ -12 \end{pmatrix}

Hierbij is λ\lambda een parameter die elk reëel getal kan zijn, en die ervoor zorgt dat je alle punten op de lijn kunt bereiken.

Wil je betere cijfers halen?
  • Extra uitleg en oefenen voor elk boek op school
  • Stel vragen en krijg direct antwoord
  • Video's, samenvattingen, oefenen, AI-tutor, woordjes leren en examentraining
Cookies
Meer uitleg

Om deze website goed te laten werken plaatsen we functionele cookies. We plaatsen analytische cookies om te bepalen welke onderdelen van de website het meest interessant zijn voor bezoekers. We plaatsen marketing cookies om de effectiviteit van onze campagnes te kunnen meten.