Na de Tweede Wereldoorlog onderging de economie van Groot-Brittannië een ingrijpende verandering van een industriële samenleving naar een diensteneconomie. Dit proces staat bekend als de-industrialisatie.
De zware industrie in Groot-Brittannië raakte in verval om verschillende redenen:
- Hoge arbeidskosten: Arbeiders waren duur geworden, wat de productiekosten opdreef.
- Internationale concurrentie: Er was sterke concurrentie van lagelonenlanden, die producten goedkoper konden produceren.
- Strengere milieuwetgeving: De regels voor milieubescherming werden steeds strenger, wat extra kosten met zich meebracht voor industriële bedrijven.
Door deze factoren vond er de-industrialisatie plaats, wat betekent dat de industriële sector in Groot-Brittannië sterk kromp. In plaats daarvan ontwikkelde Groot-Brittannië zich tot een diensteneconomie. Een diensteneconomie is een economie waarin de meeste waarde wordt gecreëerd door de dienstensector (zoals financiële diensten, consultancy, toerisme, onderwijs) in plaats van door de productie van goederen.
Deze overgang had zowel economische als ruimtelijke gevolgen:
- Vestiging in steden: Dienstverlenende bedrijven vestigen zich bij voorkeur in steden. Ze zoeken een aantrekkelijke en levendige omgeving met toegang tot hoogopgeleid personeel.
- Groei van Londen: Londen is hiervan een goed voorbeeld, waar grote financiële instellingen (aandelenbeurs, banken, verzekeringsmaatschappijen), researchbedrijven en marketingbureaus zich vestigden. De stad groeide uit tot een belangrijke mondiale spil in zakelijke en financiële dienstverlening.
- Verval van oude industriegebieden: De oude industriële gebieden in Groot-Brittannië raakten hierdoor in verval. Kansrijke, vaak hoogopgeleide, bewoners trokken weg, waardoor de achterblijvers vaak laagopgeleid waren. Deze gebieden kampen met hoge werkloosheid en dalende inkomsten.
- Toenemende ongelijkheid: De verschuiving leidde tot toenemende regionale ongelijkheid, waarbij steden als Londen veel hogere inkomens genereerden dan de rest van het land. Ook binnen Londen nam de sociale ongelijkheid toe, met een welvarende, hoogopgeleide klasse tegenover een grote groep laagopgeleiden met dalende inkomens en onbetaalbare woonlasten.