Duits woorden leren schritt 17 t/m 26
Publiek
4
Woorden in deze lijst (180)
Origineel
- die Apotheke
- de apotheek
- in die/
zur Apotheke - naar de apotheek
- der Arm
- de arm
- die Arme
- de armen
- der Arzt
- die Ärzte
- das Auge
- het oog
- der Bauch
- de buik
- die Bauchschmerzen
- de buikpijn
- das bein
- het been
- die Beine
- de benen
- erkältet sein
- verkouden zijn
- furchtbar
- vreselijk
- der Fuß
- de voet
- die Fuße
- de voeten
- das Gesicht
- het gezicht
- die Grippe
- de griep
- das Haar
- het haar
- die Haare
- de haren
- der Hals
- de hals
- die Hand
- de hank
- die Hände
- de handen
- Welche Hand ist verlezt?
- Welke hand is gewond?
- die Haut
- de huid
- husten
- hoesten
- der Kopf
- het hoofd
- der Körper
- het lichaam
- krank
- ziek
- die Krankheit
- de ziekte
- die Krankheiten
- de ziektes
- der Magen
- de maag
- das Medikament
- het medicijn
- die Medikamente
- de medicijnen
- der Mund
- de mond
- die Nase
- de neus
- das Ohr
- het oor
- die Ohren
- de oren
- der Patient
- de patiënt
- die Patienten
- de patiënten
- der Rücken
- de rug
- sich verletzen
- zich verwonden
- wehtun
- pijn doen
- Es tut weh
- Het doet pijn
- schlimm
- erg
- der Zahn
- de tand/
kies - de Zähne
- de tanden/
kiezen - anbieten
- aanbieden
- der Apparat
- het apparaat
- die Apparate
- de apparaten
- auf jeden Fall
- in ieder geval
- auf keinen Fall
- in geen geval
- aufmachen
- opendoen
- kriegen, bekommen
- krijgen
- der Benutzer, der nutzer
- de gebruiker
- sich beschweren
- klagen
- Du bechwerst dich darüber.
- Jij klaagt daarover
- der Besitzer
- de eigenaar
- der Bildschirm
- het beeldscherm
- die Datei
- het bestand
- die Dateien
- de bestanden
- die Daten
- de gegevens
- etwas
- iets
- der Fehler
- de fout
- die Fehler
- de fouten
- der Fernseher
- het televisietoestel
- herstellen
- maken/
produceren - herunterladen
- downloaden
- Ich lade viel vom Internet herunter
- Ik download veel van internet
- sich interessieren für
- geïnteresseerd zijn in
- der Kunde
- de klant
- die Kundin
- de klant
- im Netz, im Internet
- op internet
- notwendig
- noodzakelijk
- die Person
- de persoon
- die Personen
- de personen
- praktisch
- handig
- der Preis
- de prijs
- die Preise
- de prijzen
- preiswert
- voordelig
- der Rabatt
- de korting
- der Computer
- de computer
- sogar
- zelfs
- speichern
- opslaan
- unbedingt
- beslist
- der Unterschied
- het verschil
- die Unterschiede
- de verschillen
- wählen, sich entscheiden
- kiezen
- zeigen
- laten zien/
tonen - aber
- maar
- also
- dus
- ändern
- veranderen
- sich ansiehen
- zich aankleden
- Ich habe mich angezogen
- Ik heb me aangekleed
- der Ärmel
- de mouw
- die Ärmel
- de mouwen
- aussehen
- eruitzien
- Du siehst gut UA
- Je ziet er goed uit
- fast
- bijna
- die Frau
- de vrouw
- die Frauen
- de vrouwen
- gefallen
- bevallen
- Es gefällt mir gut
- het bevalt me goed
- es hat mir nicht gevallen
- het is me niet bevallen
- das Hemd
- het overhemd
- die Hemden
- de overhemden
- der Herr
- de heer
- die Herren
- de heren
- Herr Schmidt
- meneer Schmidt
- die Hose
- de broek
- die Jacke
- de jas
- die Jeans
- de spijkerbroek
- jemand
- iemand
- das Kleid
- de jurk
- die Kleider
- de kleren/
jurken - die Kleidung
- de kleren
- die Lieblingsfarbe
- de lievelingskleur
- die Männer
- de mannen
- die Mütze
- de muts
- der Pullover
- de trui
- die Pullover
- de truien
- der Rock
- de rok
- die Schuh
- de schoen
- die Schuhe
- de schoenen
- der Stiefel
- de laars
- die Stiefel
- de laarzen
- tragen
- dragen
- er trägt eine kappe
- hij draagt een petje
- das T-shirt
- het T-shirt
- die T-shirts
- de T-shirts
- sich verlieben in
- verliefd worden op
- wunderbar
- prachtig
- blau
- blauw
- braun
- bruin
- gelb
- geel
- grau
- grijs
- grün
- groen
- orange
- oranje
- lila
- paars
- rot
- rood
- rosa
- roze
- weiß
- wit
- schwarz
- zwart
- abholen
- ophalen
- Achtung!
- Let op!
- die Abfahrt
- het vertrek
- die Ankunft
- de aankomst
- ankommen
- aankomen
- aussteigen
- uitstappen
- der Bahnsteig
- het perron
- auf dem Bahnsteig
- op het perron
- die Baustelle
- het bouwterrein
- das ist egal
- dat maakt niets uit
- der Erwachsene
- de volwassene
- die Farhkarte
- het kaartje
- das Fahrrad
- de fiets
- die Fahrräder
- de fietsen
- der Flug
- de vlucht
- der Flughaven
- het vliegveld
- das Flugzeug
- het vliegtuig
- die Fundsachen
- de gevonden voorwerpen
- das Gepäck
- de bagage
- das Gleis
- het spoor
- halten
- stoppen
- die Haltestelle
- de halte
- der Jugendliche
- de jongere
- nirgends, nirgendwo
- nergens
- passieren
- gebeuren
- was ist passiert?
- wat is er gebeurd?
- plötzlich
- plotseling
- die Polizei
- de politie
- der Polizist
- de agent
- die Polizisten
- de agenten
- pünktlich
- op tijd
- das Schild
- het verkeersbord
- die Schilder
- de verkeersborden
- der Stadtplan
- de stadsplattegrond
- die Straße
- de straat
- vorn
- vooraan
- vorsichtig
- voorzichtig
- die Werkstatt
- de werkplaats
- zurück
- terug