frans
Publiek
2
Woorden in deze lijst (48)
Origineel
- la famille
- de familie /
het gezin - le frère
- de broer
- la sœur
- de zus
- le chien
- de hond
- le chat
- de kat
- le poisson
- de vis
- le jour
- de dag
- la fille
- het meisje
- le garçon
- de jongen
- le copain
- de vriend
- la tente
- de tent
- il y a
- er is /
er zijn - ici
- hier
- aussi
- ook
- pourquoi
- waarom
- donc
- dus
- on reste
- wij blijven
- c'est
- het is
- bon appétit
- eet smakelijk
- et toi?
- en jij?
- Bonjour, ça va?
- Hallo, hoe gaat het?
- Ça va bien, et toi?
- Het gaat goed, en met jou?
- C'est quoi?
- Wat is dat?
- C'est un chien.
- Dat is een hond.
- la France
- Frankrijk
- les vacances (v/
mv) - de vakantie
- la piscine
- het zwembad
- un peu
- een beetje
- attention
- pas op
- je suis
- ik ben
- tu parles
- jij spreekt
- français
- Frans
- salut
- hoi
- bonjour
- hallo, goedendag
- petit(e)
- klein
- grand(e)
- groot
- d'accord
- oké
- mais
- maar
- pour
- voor
- et
- en
- bien
- goed
- j'aime
- ik vind (het) leuk
- on joue
- wij spelen
- j'habite
- ik woon
- Comment tu t'appelles?
- Hoe heet jij?
- Je m'appelle Roos.
- Ik heet Roos.
- Tu habites où?
- Waar woon jij?
- J'habite à Zwolle.
- Ik woon in Zwolle.