Tijd
Publiek
Woorden in deze lijst (14)
Origineel
- Historische tijd
- Het tijdstip waarop, of de periode waarin (bijvoorbeeld eeuw, jaar, dag) een verhaal zich afspeelt.
- Vertelde tijd
- De duur van de periode die in een verhaal wordt beschreven. Dat kan een enkele dag zijn, maar ook twee eeuwen.
- Chronologie, manipulatie van de
- Over de gebeurtenissen waaruit een verhaal is opgebouwd wordt vrijwel nooit in de chronologische volgorde verteld: schrijvers manipuleren de tijdsvolgorde door gebruik te maken van tijdsprongen.
- Vertelheden
- Het 'nu' in een verhaal.
- Vertellend ik
- Ik-persoon die vertelt over gebeurtenissen die (soms jaren) eerder hebben plaatsgevonden.
- Belevend ik
- Ik-persoon die vertelt over de gebeurtenissen, terwijl hij er deel van uitmaakt.
- Tijdsprong
- Een sprong vooruit of achteruit in de tijd, gezien vanuit het vertelheden.
- Flashback
- Een tijdsprong achteruit; een uitgebreidere beschrijving van een gebeurtenis die eerder heeft plaatsgevonden, die het verhaal onderbreekt.
- Terugwijzing
- Een tijdsprong achteruit; een korte verwijzing (meestal maar één zin) naar een gebeurtenis die eerder heeft plaatsgevonden. Een terugwijzing vormt geen onderbreking van het verhaal.
- Flashforward
- Een uitgebreidere beschrijving van een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden. Daardoor wordt vaak al iets verklapt over de afloop van het verhaal.
- Vooruitwijzing
- Een tijdsprong vooruit; een korte verwijzing (meestal maar één zin) naar een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden, die het verhaal niet onderbreekt.
- Proloog
- Korte tekst die voorafgaat aan het verhaal. Daarin is vaak (maar niet altijd) sprake van een flashforward.
- Fabel
- De chronologische volgorde waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.
- Sujet
- De (gemanipuleerde) volgorde waarin over de gebeurtenissen wordt verteld.