Niederländisch–Deutsch Wortschatz und sprechen
Publiek
Woorden in deze lijst (59)
Origineel
- de brievenbus
- der Briefkasten
- de dief
- der Dieb
- de diefstal
- der Diebstahl
- de identiteitskaart
- der Personalausweis
- de medewerker
- der Mitarbeiter
- de ooggetuige
- der Augenzeuge
- de overval
- der Überfall
- de batterij(mobieltje)
- der Akku
- de pinautomaat
- der Geldautomat
- de politieagent
- der Polizist
- de schade
- der Schaden
- de accu
- die Autobatterie
- de afrit
- die Ausfahrt
- de autogarage
- die Autowerkstatt
- de bank(geld)
- die Bank
- de brandweer
- die Feuerwehr
- de controle
- die Kontrolle
- de dokterspraktijk
- die Arztpraxis
- het nieuwsbericht
- die Nachricht
- de pech
- die Panne
- de rem
- die Bremse
- de straf,boete
- die Strafe
- de voicemail
- die Mailbox
- de geldrekening
- das Konto
- de oplader
- das Ladegerät
- het pakketje
- das Päckchen
- de documenten
- die Papiere
- aan de hand zijn
- los sein
- aangifte doen
- Anzeige erstatten
- achterlaten
- hinterlassen
- afhalen
- abholen
- bereiken
- erreichen
- bestraffen
- bestrafen
- blokkeren
- sperren
- branden
- brennen/
gebrennt - controleren
- kontrollieren
- doorgeven
- weitergeben/
weitergegeben - doorverbinden
- verbinden/
verbunden - gebeuren
- passieren
- geld opnemen
- Geld abheben/
abgehoben - herhalen
- wiederholen
- melden
- melden
- ontvangen
- erhalten/
erhalten - opladen
- aufladen/
aufgeladen - opnemen(telefoon)
- rangehen/
rangegangen - opvallen
- auffallen/
aufgefallen - overmaken
- überweisen/
überwiesen - stelen
- stehlen/
gestohlen - terugbellen
- zurückrufen/
zurückgerufen - vallen
- fallen/
hinfallen/ runterfallen/ gefallen - verwachten
- erwarten
- bereikbaar
- erreichbar
- geldig
- gültig
- gewond
- verletzt
- leeg
- leer
- toegestaan
- erlaubt
- verboden
- verboten
- Wat zegt u?
- Wie bitte?
- zometeen
- gleich