Hoofdstuk 1

Publiek
2keer geoefend
Woorden in deze lijst (70)
Origineel
- organismen
- levende wezens: planten, dieren, schimmels en bacterien
- stofwisseling
- alle chemische reacties in een organisme
- levenscyclus
- van een soort, het eindigt bij uitsterving
- levensloop
- per inidividu
- soort
- organismen die zich onderling voortplanten
- DNA
- bevat erfelijke informatie van een organisme
- cel
- grotere biologische eenheid dan een molecuul
- organellen
- onderdeel in een cel met bepaalde functie
- weefsel
- groep van cellen met dezelfde functie
- orgaan
- weefsels bij elkaar met specifieke bouw en functie
- orgaanstelsel
- organen die samen bepaalde functie uitvoeren
- populatie
- een groep individuen van zelfde soort die in bepaald gebied voortplanten
- levensgemeenschap
- verschillende populaties in een gebied
- ecosysteem
- begrensd gebied met levende als niet levende factoren
- systeem aarde
- alle ecosystemen, ook biosfeer genoemd
- emergente eigenschappen
- een eigenschap die op lager organisatieniveau niet voorkomt
- tussencelstof
- dient ter versteviging, de weefsels liggen niet direct tegen elkaar aan, dood materiaal
- celmembraan
- buitenste laag cel
- celwand
- Stevig laagje om een plantaardige cel, hoort niet tot de cel (is tussencelstof)
- cytoplasma/
celplasma - Inhoud van de cel bestaat uit het grondplasma met daarin de organellen
- grondplasma
- bestaat uit water en opgeloste stoffen in een celï
- celkern
- Organel omsloten door de kernmembraan en bevat DNA
- vacuole
- Ligt in de cel met vacuolevocht. Zorg voor stevigheid en kan kleurstof bevatten
- chloroplasten
- bladgroenkorrels
- chlorofyl
- groene kleurstoffen in chloroplasten
- chromosomen
- lange moleculen DNA rond een eiwit
- kernlichaampje
- delen van ribosomen worden hier gemaakt
- kernporie
- opening die transport van stoffen in en uit de kern regelt
- ribosomen
- organellen die eiwitten maken met behulp van erfelijke informatie uit DNA
- endoplastmatisch reticulum (ER)
- uitgebreid netwerk van dubbele membranen die aansluiten op kernmembraan
- ruw endoplasmatisch reticulum (RER)
- komen ribosomen voor die hun eiwitten afgeven
- golgisysteem
- neemt blaasjes op en bewerkt eiwitmoleculen tot ze hun vorm hebben
- exocytose
- afsnoeren van blaasjes door het celmembraam om stoffen naar buiten te transporteren
- lysosomen
- blaasjes die van golgisysteem afsnoeren met eiwitten en in de cel blijven
- enzymen
- eiwitten in lysosomen endie kunnen stoffen afbreken
- mitochondrien
- levert energie (ATP) in de cel
- ATP
- Belangrijkste energie voor in de cel, gemaakt door het mitochondriën
- cytoskelet
- binnen in de cellen bevindt zich een netwerk van eiwitvezels, zorgt voor de vorm behouding en dat alles op zijn plaats blijft. zorg ook ervoor dat de cel kan verplaatsen
- cilien
- trilharen die eiwitvezels bevatten, horen tot het cytoskelet
- flagel
- zweephaar waarmee cellen kunnen voortbewegen
- motoreiwitten
- gebruiken cytoskelet als transportsysteem met blaasjes en eiwitten
- fosfolipiden
- Bestaat het membraam uit met een hydrofiel (kop en een hydrofobe (staart) kant
- membraaneiwitten
- eiwitten die rol spelen bij transport van stoffen in en uit cel
- receptoreiwitten
- Eiwitten met daaraan koolhydraatkentens. Zorgt voor de herkenning van een cel
- endocytose
- afsnoeren van blaasjes door het celmembraam om stoffen in cel op te nemen
- diffusie
- verplaatsing van stof van hoge naar lage concentratie
- permeabel
- doorlatend, membraan met porien
- semipermeabel/
selectief permeabel - kleine moleculen kunnen door het membraam heen, grote moleculen niet, van een hoge concentratie naar lage
- osmose
- diffusie van water door semipermeabel membraan
- osmotische waarde
- aantal opgeloste deeltjes per volume eenheid
- osmostische druk
- oplossing met laagste osmotische waarde oefent druk uit op andere oplossing
- hypotoon
- osmotische waarde is lager in de omgeving
- hypertoon
- osmotische waarde is hoger in de omgeving
- turgor
- druk van grondplasma op celwand neemt toe en zorgt voor stevigheid, is bij een hypotonische omgeving
- plasmolyse
- celmembraan laat los van de celwand, bij een hypertoon omgeving
- passief transport
- geen energie nodig voor transport door een membraam
- ionentransport
- Transport door membraam via ionkanaaltjes
- transporteiwitten
- Eiwitten die specifieke moleculen kunnen transporteren in of uit een cel
- actief transport
- energie (ATP) nodig voor transport door membraam
- validiteit
- geeft het onderzoek antwoord op de vraag, controlegroep
- betrouwbaarheid
- komt het overeen met uitkomsten van dezelfde proeven, extra proefpersonen
- dekweefsel
- weefsel dat het inwendige en uitwendige lichaamsoppervlakken bekleedt en beschermt. Cellen zijn rechthoekig en liggen heel dicht tegen elkaar aan.
- zenuwweefsel
- Zit in je hersenen, ruggenmerg en zenuwen. Zijn rondjes met uitlopers en liggen ver uit elkaar
- spierweefsel
- Weefsel in je spieren, die kunnnen samentrekken en beweging mogelijk maken. Het zijn lange stroken
- Bindweefsel
- Weefsel dat zorgt voor steun en vorm aan afzonderlijke organen bij een dier. Het verbindt de lichaamsdelen en vult ruimten op. De cellen liggen ver uit elkaar met veel tussencelstof.
- beenweefsel
- Weefsel dat zich bevindt in bloedvaten en zenuwen. Het zorgt voor stevigheid en bescherming. Het is een soort van tunnel met een gat en vlekjes.
- Kraakbeenweefsel
- Weefsel dat uit veel tussencelstof bestaat. Het zijn groepjes van 2 of 3 cellen met daartussen veel tussencelstof. Het is elastisch en buigzaam.
- plastiden
- Organellen in plantaardige cellen met de types: chloroplasten, chromoplasten en leukoplasten
- erfelijke eigenschappen
- informatie die de bouw en functie van een cel bepaalt
- isotoon
- osmotische waarde is gelijk