Verkiezingen
Publiek
Woorden in deze lijst (26)
Origineel
- Actief kiesrecht
- Het recht om bij verkiezingen je stem uit te brengen.
- Passief kiesrecht
- Het recht om je verkiesbaar te stellen.
- Evenredige vertegenwoordiging
- Een kiesstelsel waarbij alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels.
- Zetel
- Een stoel in een bestuursorgaan zoals de Tweede Kamer of de gemeenteraad.
- Kiesdeler
- De hoeveelheid stemmen die nodig is voor één zetel.
- Kiesdrempel
- Een minimumpercentage stemmen dat een partij moet halen om mee te kunnen delen in de zetels.
- Districtenstelsel
- Een kiesstelsel waarbij het land wordt verdeeld in een aantal districten die elk één afgevaardigde voor het parlement leveren.
- Spindoctors
- Communicatiedeskundigen die kandidaten adviseren over een zo positief mogelijk imago.
- Opiniepeilingen
- Wekelijkse onderzoekingen waarin mensen wordt gevraagd op welke partij ze gaan stemmen.
- Mediacratie
- Een politieke situatie waarin de media een grote invloed hebben.
- Opkomstplicht
- De wettelijke verplichting voor kiesgerechtigden om bij verkiezingen te gaan stemmen.
- Lijsttrekker
- De persoon die bovenaan de kandidatenlijst staat en het gezicht van de partij is.
- Voorkeursstemmen
- Stemmen die specifiek op een persoon op de kandidatenlijst worden uitgebracht, waardoor deze via een lagere plek toch in de Kamer kan komen.
- Verkenner
- De persoon die na de verkiezingen als eerste de verschillende coalitiemogelijkheden onderzoekt.
- Informateur
- De persoon die onderzoekt welke partijen samen een kabinet willen vormen.
- Kabinet
- Het dagelijks bestuur van het land, bestaande uit ministers en staatssecretarissen.
- Coalitie
- Een combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk niveau.
- Oppositie
- De partijen die geen deel uitmaken van de coalitie.
- Regeerakkoord
- Een document met de afspraken over de hoofdlijnen van het beleid dat het kabinet de komende jaren wil gaan voeren.
- Formateur
- De persoon die daadwerkelijk het kabinet vormt en meestal zelf minister-president wordt.
- Prinsjesdag
- De derde dinsdag van september waarop de koning de troonrede voorleest en de minister van Financiën de miljoenennota aanbiedt.
- Troonrede
- De jaarlijkse toespraak van de koning waarin hij vertelt wat de regering heeft bereikt en het volgende jaar wil gaan doen.
- Miljoenennota
- Een toelichting op de Rijksbegroting waarin de concrete plannen van het kabinet staan.
- Algemene Beschouwingen
- Het debat in de Tweede Kamer dat volgt op de bekendmaking van de plannen in de miljoenennota.
- Voorjaarsnota
- De financiële verantwoording waarin de regering verantwoording aflegt over het beleid dat in de miljoenennota is toegezegd.
- Demissionair kabinet
- Een kabinet dat na ontslag tijdelijk in functie blijft om alleen de lopende zaken af te handelen.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–