2. Grote natuurlandschappen op aarde
Publiek
Woorden in deze lijst (62)
Origineel
- alpenweide
- Hoogtegordel in de bergen met grassen, kruiden en lage struikjes (boven de boomgrens).
- bereikbaarheid
- De mogelijkheid om een plaats te bereiken.
- bevolkingsconcentratie
- Opeenhoping van mensen in een gebied.
- bevolkingsdichtheid
- Het gemiddelde aantal inwoners per vierkante kilometer (inw/
km²). - bevolkingsspreiding
- De verdeling van mensen over een land of gebied.
- biodiversiteit
- Variatie aan levensvormen in de natuur.
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan 10 °C in de zomer).
- breedtecirkel
- Cirkel die plaatsen van gelijke breedteligging verbindt.
- breedteligging
- De afstand van een plaats tot de evenaar.
- cultuurgrond
- Grond die gebruikt wordt voor akkerbouw of veeteelt.
- cultuurlandschap
- Zie ingericht landschap.
- dubbelzeisoen
- Twee keer per jaar een piek in het aantal toeristen.
- duurzaam
- Ervoor zorgen dat iets altijd blijft bestaan.
- eeuwige sneeuw
- Gebied waar altijd sneeuw ligt.
- etage
- Boomkruinen op verschillende hoogten in een bos.
- evenaar
- Lijn die de aardbol in twee helften verdeelt: het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond.
- extensieve veeteelt
- Veeteelt met weinig vee per hectare.
- gematigde zone
- Het gebied tussen de breedtecirkels van 23½ en 66½° N.B. en 23½ en 66½ ° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet te warm en niet te koud.
- gemengd bos
- Bos waar loof- en naaldbomen door elkaar groeien. Ligt tussen de taiga en de loofboomgordel.
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
- herbebossing
- Het opnieuw aanplanten van jonge bomen na een houtkap.
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar (meer dan 60°).
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m.
- hoogtegordel
- Zone van plantengroei in een gebergte.
- ingericht landschap
- Landschap waarin mensen huizen, wegen, akkers, weilanden en andere dingen hebben aangelegd. Heet ook cultuurlandschap.
- intensieve veeteelt
- Veeteelt met veel vee per hectare.
- irrigatie
- Het kunstmatig nathouden van landbouwgronden.
- isotherm
- Lijn die punten van een gelijke temperatuur met elkaar verbindt.
- keerkring
- De breedtecirkel van 23½° N.B. en 23½° Z.B.; grens van de tropen.
- klimaatdiagram
- Diagram met de gemiddelde temperatuur en neerslag van een plaats of een gebied.
- lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar (minder dan 30°).
- landijs
- Laag eeuwige sneeuw op het land die tot ijs is samengeperst.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde luchtstreek waar loofbomen groeien, zoals eiken en beuken.
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken.
- naaldbosgordel
- Zie taiga.
- natuurlandschap
- Een landschap dat (bijna) niet door mensen is ingericht. Het is puur natuur.
- natuurlijke hulpbron
- Product uit de natuur dat mensen goed kunnen gebruiken.
- neerslag
- Water dat in vaste of vloeibare vorm uit de dampkring op aarde neerkomt.
- Noordpool
- De noordelijkste plek op aarde.
- noordpoolcirkel
- Zie poolcirkel.
- oase
- Plek in de woestijn waar water is.
- ontbossing
- Het kappen van bossen.
- oorspronkelijke plantengroei
- De natuurlijke plantengroei die ergens voorkomt.
- permafrost
- Altijd bevroren ondergrond.
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. (noordpoolcirkel) en 66½° Z.B. (zuidpoolcirkel).
- poolstreken
- Gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B.
- regentijd
- Jaarlijkse periode met veel neerslag in de tropen.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- rotsgordel
- Hoogtegordel waar door de kou en de harde ondergrond bijna geen planten meer groeien.
- savanne
- Landschap in de tropen met lange grassen, afgewisseld met groepjes bomen en struiken.
- schaalniveau
- De schaal waarop je naar de wereld kijkt: lokaal, regionaal, nationaal, continentaal of mondiaal.
- steppe
- Droog gebied waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
- stijgingsregen
- Regen die ontstaat door opwarming van de lucht, waardoor die lucht gaat stijgen en afkoelen.
- taiga
- Zone in de gematigde luchtstreek waar naaldbomen groeien. En in de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook naaldbosgordel.
- toendra
- Boomloos gebied in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struikjes.
- tropen
- Warme luchtstreek bij de evenaar tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B.
- tropisch regenwoud
- Dicht, ondoordringbaar bos in de warme en vochtige tropen.
- vegetatie
- Plantengroei.
- woestijn
- Een erg droog gebied waar bijna niets groeit.
- zee-ijs
- Bevroren zeewater (pakijs en drijfijs).
- Zuidpool
- De zuidelijkste plek op aarde.
- zwerflandbouw
- Het na een bepaalde periode verplaatsen van een akker naar een nabijgelegen stuk land, omdat de bodem niet vruchtbaar genoeg is voor een permanente akker.