Hoofdstuk 1 - Structuur en groei
Publiek
Woorden in deze lijst (37)
Origineel
- Afschrijvingen
- het deel van de productiewaarde dat gereserveerd wordt om de kapitaalgoederen op termijn te kunnen vervangen zodat de productiecapaciteit op peil blijft.
- Arbeidsinkomensquote (AIQ)
- het deel van het nationaal inkomen dat wordt uitbetaald aan de productiefactor arbeid.
- Bruto binnenlands product (bbp)
- de som van de bruto toegevoegde waarden van alle bedrijven en alle overheden in een land.
- Bruto investeringen
- de som van de vervangingsinvesteringen, de uitbreidingsinvesteringen, en de voorraadvorming van bedrijven.
- Bruto toegevoegde waarde
- het verschil tussen waarde van de verkoop en inkoop van een bedrijf.
- Categorale inkomensverdeling
- de verdeling van het nationaal inkomen over de productiefactoren arbeid en kapitaal.
- Dumping
- het verkopen van het product op buitenlandse markten tegen een kunstmatig lage prijs die onder de prijs op de thuismarkt ligt.
- Fysieke infrastructuur
- alle land- en waterwegen, lucht- en zeehavens en leidingen voor het transport van energie en data alsmede de kwaliteit van water, lucht en bodem.
- Gemeenschappelijke markt
- een markt bestaande uit verschillende landen die zich conformeren aan gemeenschappelijke regels.
- Groen binnenlands product (gbp)
- het binnenlands product na aftrek van de afschrijving op de productiefactor natuur.
- Inclusieve overheid
- een overheid die ervoor zorgt dat de belangen van alle bedrijven en burgers veilig zijn, ook van partijen die in een kwetsbare positie verkeren of tot een minderheid behoren.
- Infant industry
- een binnenlandse bedrijfstak die zich eerst moet ontwikkelen voordat deze bedrijfstak kan concurreren met buitenlandse bedrijven.
- Kapitaal inkomen
- het inkomen dat wordt uitbetaald aan de productiefactor kapitaal zoals huur, pacht, rente, dividend en winst.
- Kapitaalinkomensquote (KIQ)
- het deel van het nationaal inkomen dat wordt uitbetaald aan de productiefactor kapitaal.
- Looninkomen
- het inkomen dat wordt uitbetaald aan de productiefactor arbeid.
- Macro-economische productiefunctie
- het binnenlands product als functie van de totale factorproductiviteit en de inzet van de productiefactoren arbeid en kapitaal.
- Menselijk kapitaal
- vaardigheden van werkenden.
- Nationaal inkomen
- de som van de primaire inkomens die alle gezinshuishoudens in een land ontvangen.
- Nationale soevereiniteit
- de vrijheid van een land om eigen beleidskeuzes te maken.
- Netto binnenlands product (nbp)
- de som van de netto toegevoegde waarden van alle bedrijven en overheden in een land.
- Netto investeringen
- de som van de uitbreidingsinvesteringen en de voorraadvorming.
- Netto toegevoegde waarde
- de bruto toegevoegde waarde minus de afschrijvingen.
- Onderlinge leveringen
- de verbruikte goederen die het ene bedrijf koopt van een ander bedrijf.
- Onderzoek en ontwikkeling
- investeringen gericht op het verbeteren van het product en het productieproces.
- Overheidsfalen
- een overheid die er niet in slaagt om kwetsbare partijen te beschermen.
- Potentiƫle productie
- het netto binnenlands product van een land als alle beschikbare productiefactoren worden ingezet.
- Primair inkomen
- de beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren.
- Profijtbeginsel
- de betaalde heffing hangt af van het genoten profijt van collectieve voorzieningen.
- Publieke infrastructuur
- collectieve voorzieningen waarvan iedereen kan profiteren zonder er direct voor te hoeven betalen.
- Publieke regulering
- regels van de overheid die de bewegingsruimte van private partijen beperken.
- Rechtsstaat
- een samenleving waarin niemand boven de wet staat.
- Sociale infrastructuur
- het vertrouwen van burgers dat hun belangen veilig zijn, de kwaliteit van de beroepsbevolking en de kennis waar burgers vrije toegang toe hebben.
- Subjectieve methode
- het berekenen van het nationaal inkomen als de som van de primaire inkomens die alle gezinshuishoudens (zogenoemde subjecten) in een land ontvangen.
- Toegerekend loon van zelfstandigen
- het deel van het inkomen van zelfstandigen dat tot het arbeidsinkomen gerekend wordt.
- Totale factorproductiviteit
- de productiviteit van de samenwerking tussen de productiefactoren.
- Uitbreidingsinvesteringen
- investeringen in de uitbreiding van de productiecapaciteit.
- Vervangingsinvesteringen
- investeringen die de productiecapaciteit op peil houden.