2.1 Geld
Publiek
Woorden in deze lijst (13)
Origineel
- Geld
- De drie functies van geld zijn:(algemeen aanvaard)ruilmiddel,rekenmiddel en oppotmiddel(spaarmiddel).
- Directe ruil
- Ruilen van goederen zonder tussenkomst van geld.
- Indirecte ruil
- Ruilen met geld als betaalmiddel.
- Sparen
- Geld op de bank zetten in ruil voor rente.
- Oppotten
- Geld zelf bewaren;het is dan inactief geld.
- Wettig betaalmiddel
- Door de overheid uitgegeven en erkend betaalmiddel(ruilmiddel)waarmee je in principe overal in een land kunt betalen.
- Intrinsieke waarde
- De waarde van het materiaal waarvan geld is gemaakt.
- Extrinsieke waarde(=nominale waarde)
- De waarde die aan geld wordt toegekend(erop staat).
- Wet van Gresham
- Als twee vormen van geld circuleren met dezelfde nominale waarde,dan zal de betaling plaatsvinden met het geld met de laagste intrinsieke waarde.
- Fiduciair geld
- Geld dat algemeen aanvaard wordt als ruilmiddel,omdat het wordt vertrouwd door de gebruikers.
- Chartaal geld
- Munten en bankbiljetten.
- Giraal geld
- Direct opvraagbare tegoeden bij een bank.
- Maatschappelijke geldhoeveelheid
- De som van al het chartale en girale geld in handen van het publiek(van een land).