Maatschappijleer H5 leerdoelen
Publiek
2
Woorden in deze lijst (32)
Origineel
- Ik kan vraagstukken rondom de verzorgingsstaat analyseren met de begrippen: maatschappelijk probleem, waarden, belangen, macht, sociale ongelijkheid en sociale cohesie.
- Een maatschappelijk probleem raakt veel mensen en leidt tot discussie. Waarden zijn dingen die mensen belangrijk vinden. Belangen zijn voordelen die mensen willen bereiken. Macht is invloed kunnen uitoefenen. Sociale ongelijkheid betekent ongelijke kansen of middelen. Sociale cohesie is de verbondenheid tussen mensen in de samenleving.
- Ik kan weergeven wat een verzorgingsstaat is en hier voorbeelden bij geven.
- Een verzorgingsstaat is een land waarin de overheid zorgt voor het welzijn van burgers en hen beschermt tegen sociale risico's. Voorbeelden zijn de AOW, zorgverzekering, bijstand en onderwijs.
- Ik kan de begrippen welvaart en welzijn uitleggen en er voorbeelden bij geven.
- Welvaart is de mate waarin mensen beschikken over geld en goederen. Welzijn gaat over hoe goed mensen zich voelen, bijvoorbeeld gezondheid, geluk en veiligheid.
- Ik kan uitleggen wat solidariteit is en hoe je het terugziet in een verzorgingsstaat. Dit begrip kan ik koppelen aan het begrip collectief belang.
- Solidariteit betekent dat mensen elkaar helpen en risico's samen dragen. In een verzorgingsstaat betalen mensen belasting en premies zodat anderen geholpen kunnen worden. Dit dient het collectieve belang: het belang van de hele samenleving.
- Ik kan uitleggen hoe de belangrijkste waarden, rechten en plichten van de verzorgingsstaat terugkomen in de sociale grondrechten.
- Sociale grondrechten verplichten de overheid om te zorgen voor onderwijs, gezondheidszorg, werkgelegenheid en bestaanszekerheid. Belangrijke waarden zijn gelijkheid, solidariteit en rechtvaardigheid.
- Ik kan uitleggen wat het socialezekerheidsstelsel is en ik kan er voorbeelden bij noemen.
- Het socialezekerheidsstelsel bestaat uit regelingen die mensen beschermen tegen inkomensverlies. Voorbeelden zijn de AOW, WW, WIA en bijstand.
- Ik kan uitleggen wat het maatschappelijk middenveld is, welke rol het inneemt in een verzorgingsstaat en er voorbeelden van noemen. Ik kan dit begrip verbinden aan de begrippen particulier initiatief, sociale partners, poldermodel en collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).
- Het maatschappelijk middenveld bestaat uit organisaties tussen burgers en overheid, zoals vakbonden, sportverenigingen en kerken. Particulier initiatief komt van burgers. Sociale partners zijn werkgeversorganisaties en vakbonden. In het poldermodel overleggen overheid, werkgevers en werknemers. Een CAO bevat afspraken over loon en arbeidsvoorwaarden.
- Ik kan uitleggen wat een vrije markt is, welke rol een overheid hierin speelt en er voorbeelden bij bedenken. Ook kan ik voor- en nadelen van de vrije markt benoemen.
- Een vrije markt is een markt waarin vraag en aanbod de prijs bepalen. De overheid stelt regels op en houdt toezicht. Voordelen zijn innovatie, concurrentie en keuzevrijheid. Nadelen zijn ongelijkheid en mogelijke machtsconcentratie.
- Ik kan verschillende visies op marktwerking en de verzorgingsstaat herkennen en onderscheiden: de liberale, sociaaldemocratische en corporatistische visie.
- Liberalen willen veel marktwerking en een kleine overheid. Sociaaldemocraten willen een sterke overheid en veel sociale voorzieningen. Corporatisten of christendemocraten kiezen voor samenwerking tussen overheid, werkgevers en werknemers.
- Ik kan de ontwikkeling van de verzorgingsstaat in grote lijnen weergeven.
- Nederland ontwikkelde zich van een nachtwakersstaat naar een verzorgingsstaat waarin de overheid steeds meer verantwoordelijkheid nam voor welzijn en sociale zekerheid.
- Ik kan hierbij uitleggen wat een nachtwakersstaat is en hoe deze is veranderd in een verzorgingsstaat.
- Een nachtwakersstaat beperkt zich vooral tot veiligheid, justitie en defensie. Door sociale problemen en politieke keuzes kreeg de overheid steeds meer zorgtaken en ontstond de verzorgingsstaat.
- Ik kan uitleggen waarom vakbonden zijn ontstaan en wat haar belangrijkste functies zijn.
- Vakbonden ontstonden tijdens de industrialisatie om op te komen voor arbeiders. Ze behartigen belangen, onderhandelen over CAO's en bieden ondersteuning aan werknemers.
- Ik kan uitleggen welke veranderingen direct na WOII zijn doorgevoerd in de Nederlandse verzorgingsstaat. Hierbij kan ik betrekken: de AOW, Bijstandswet en Arbowet.
- Na WOII werd de verzorgingsstaat uitgebreid. De AOW gaf ouderen een inkomen, de Bijstandswet bood een minimuminkomen en de Arbowet zorgde voor veilige arbeidsomstandigheden.
- Ik kan uitleggen wat vergrijzing en ontgroening zijn en welke gevolgen deze hebben voor de verzorgingsstaat.
- Vergrijzing betekent dat het aantal ouderen toeneemt. Ontgroening betekent dat er minder jongeren zijn. Hierdoor stijgen de zorgkosten en zijn er relatief minder werkenden die belastingen betalen.
- Ik kan mogelijk oplossingen voor de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat uitwerken.
- Mogelijke oplossingen zijn het verhogen van de AOW-leeftijd, meer mensen laten werken, arbeidsmigratie stimuleren, belastingen verhogen of uitgaven beperken.
- Ik kan uitleggen wat een participatiesamenleving en de participatiewet is en wat het doel ervan is.
- Een participatiesamenleving verwacht dat burgers meer verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en anderen. De Participatiewet helpt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan werk.
- Ik kan uitleggen wat mantelzorg is en waarom dit bij verschillende politieke visies kan passen.
- Mantelzorg is langdurige zorg voor familie, vrienden of kennissen. Liberalen zien het als eigen verantwoordelijkheid, christendemocraten als zorg voor elkaar en sociaaldemocraten als aanvulling op professionele zorg.
- Ik kan een liberale, christendemocratische en sociaaldemocratische visie op de verzorgingsstaat weergeven, herkennen en er een afweging tussen maken.
- Liberalen benadrukken eigen verantwoordelijkheid. Christendemocraten benadrukken gedeelde verantwoordelijkheid. Sociaaldemocraten benadrukken gelijkheid en een sterke overheid.
- Ik kan de drie hoofddoelen van het onderwijs weergeven.
- De drie hoofddoelen zijn kwalificatie, socialisatie en selectie.
- Ik kan uitleggen hoe de leerplichtwet, kwalificatieplicht en startkwalificatie passen bij de doelen van het onderwijs.
- Deze regels zorgen ervoor dat jongeren onderwijs volgen en voldoende kennis en vaardigheden ontwikkelen. Een startkwalificatie is een havo-, vwo- of mbo-2-diploma.
- Ik kan uitleggen hoe sociale ongelijkheid en kansenongelijkheid een rol spelen in het Nederlandse onderwijs.
- Kinderen uit gezinnen met meer geld, contacten en kennis hebben vaak meer kansen op schoolsucces.
- Ik kan verschillende soorten kapitaal onderscheiden en dit verbinden aan privilege, maatschappelijke positie en sociale ongelijkheid.
- Economisch kapitaal is geld en bezit. Sociaal kapitaal bestaat uit contacten en netwerken. Cultureel kapitaal bestaat uit kennis, opleiding en taalgebruik. Deze vormen van kapitaal beïnvloeden privileges, maatschappelijke positie en sociale ongelijkheid.
- Ik kan aan de hand van de bovengenoemde begrippen een standpunt innemen over vraagstukken rondom het onderwijs.
- Een mogelijk standpunt is dat de overheid kansenongelijkheid moet verkleinen zodat iedereen gelijke kansen krijgt, ongeacht afkomst of inkomen.
- Ik kan op hoofdlijnen weergeven hoe de gezondheidszorg in Nederland is vormgegeven. Hierbij kan ik betrekken: sociaal grondrecht, solidariteitsprincipe, zorgverzekering, zorgverzekeraar en gereguleerde marktwerking.
- Gezondheidszorg is een sociaal grondrecht. Iedereen moet een zorgverzekering hebben. Via het solidariteitsprincipe betalen gezonde mensen mee aan zorg voor zieken. Zorgverzekeraars concurreren binnen een systeem van gereguleerde marktwerking.
- Ik kan een beargumenteerd standpunt innemen over vraagstukken rondom de gezondheidszorg met de begrippen innovatie, qaly, leefstijl en welvaartsziekte.
- Innovatie kan de kwaliteit van leven (QALY) verbeteren maar kost geld. Een gezonde leefstijl kan welvaartsziekten zoals obesitas en diabetes verminderen.
- Ik kan op hoofdlijnen weergeven hoe de sociale zekerheid in Nederland is vormgegeven. Hierbij kan ik betrekken: sociale verzekering, werknemersverzekering, sociale voorzieningen, WIA, WW, Volksverzekering, Pensioen, AOW, algemene bijstand, bijzondere bijstand, sociaal minimum en Wajong.
- Sociale zekerheid bestaat uit sociale verzekeringen zoals WW, WIA en AOW en sociale voorzieningen zoals bijstand en Wajong. Het sociaal minimum is het minimuminkomen dat nodig is om van te leven.
- Ik kan een beargumenteerd standpunt innemen over vraagstukken rondom de sociale zekerheid met de begrippen vergrijzing, ontgroening, flexibilisering, ZZP'ers en armoedeval.
- Vergrijzing, ontgroening en flexibilisering maken het moeilijker om sociale zekerheid betaalbaar te houden. Tegelijk moet voorkomen worden dat mensen in een armoedeval terechtkomen.
- Ik kan verschillende oplossingen voor uitdagingen voor de sociale zekerheid identificeren en tegen elkaar afwegen: AOW-leeftijd verhogen, vast werk stimuleren, verkorten uitkering, begeleiden en controleren.
- AOW-leeftijd verhogen maakt het systeem goedkoper maar mensen werken langer. Vast werk biedt meer zekerheid maar minder flexibiliteit. Kortere uitkeringen besparen geld maar vergroten armoederisico's. Begeleiden en controleren kan mensen sneller aan werk helpen.
- Ik kan voor- en nadelen van een basisinkomen noemen en hier een afweging tussen maken.
- Voordelen zijn minder armoede, meer bestaanszekerheid en minder bureaucratie. Nadelen zijn hoge kosten, hogere belastingen en mogelijk minder prikkel om te werken.
- Ik kan uitleggen waarom mensen werken aan de hand van de begrippen materiële en immateriële behoeftes.
- Materiële behoeften zijn bijvoorbeeld geld, eten en wonen. Immateriële behoeften zijn waardering, sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling.
- Ik kan een eigen visie op werk formuleren met de begrippen arbeidsethos, maatschappelijke plicht, maatschappelijke positie, sociale mobiliteit, sociale ongelijkheid, inclusieve arbeidsmarkt en positieve discriminatie.
- Werk geeft inkomen, status en ontwikkelingsmogelijkheden. Een inclusieve arbeidsmarkt biedt kansen aan iedereen. Positieve discriminatie kan worden gebruikt om achterstanden te verkleinen.
- Ik kan een beargumenteerd standpunt innemen over vraagstukken rondom ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Hierbij kan ik betrekken: arbeidsethos, arbeidsmarkt, beroepsbevolking, werkgelegenheid, werkloosheid, technologisering, flexibilisering, ZZP'er en globalisering.
- Technologisering en globalisering creëren nieuwe banen maar laten ook banen verdwijnen. Flexibilisering biedt vrijheid maar kan onzekerheid veroorzaken. Daarom zijn scholing en goede arbeidsvoorwaarden belangrijk.