MAX 1&2 DEEL B - 1/2 VWO/GYMNASIUM - Kapital 6 - Lektion 2 - Redemittel
Publiek
Woorden in deze lijst (23)
Origineel
- Ga je op vakantie of blijf je thuis?
- Fährst du in Urlaub oder bleibst du zu Hause?
- Ik blijf thuis.
- Ich bleibe zu Hause.
- Wanneer ga je op vakantie?
- Wann fährst du in Urlaub?
- Ik ga in juli /
van 17 juli tot 1 augustus op vakantie. - Ich fahre im Juli /
vom 17. Juli bis zum 1. August in Urlaub. - Hoelang blijven jullie?
- Wie lange bleibt ihr?
- We blijven tien dagen /
een week / twee weken. - Wir bleiben zehn Tage /
eine Woche / zwei Wochen. - Waarheen/
Hoe ga je op vakantie? - Wohin/
Wie fährst du in Urlaub? - We gaan naar Spanje en Frankrijk.
- Wir fahren nach Spanien und Frankreich.
- Wij gaan met de caravan /
de auto naar Italië. - Wir fahren mit dem Wohnwagen /
dem Auto nach Italien. - Waar overnachten/
slapen jullie? - Wo übernachtet/
schlaft ihr? - Wij hebben een vakantiewoning gehuurd.
- Wir haben eine Ferienwohnung gemietet.
- Wij hebben in een hotel geslapen.
- Wir haben in einem Hotel geschlafen.
- Wat neem je mee?
- Was nimmst du mit?
- Ik neem mijn bankpas, mijn paspoort en mijn camera mee.
- Ich nehme meine Bankkarte, meinen Reisepass und meine Kamera mit.
- Dat klinkt leuk.
- Das klingt toll.
- Dat wist ik helemaal niet.
- Das wusste ich gar nicht.
- Wat fijn!
- Das ist schön!
- Echt waar?
- Echt wahr?
- Dat is lief van je.
- Wie lieb von dir!
- Dat spijt me.
- Das tut mir leid.
- Wat vervelend!
- Wie ärgerlich!
- Dat is stom!
- Das ist ja blöd!
- Wat zielig voor jou!
- Du Arme! /
Du Armer!