2. Endogene en exogene processen
Publiek
Woorden in deze lijst (92)
Origineel
- aardbeving
- Een schoksgewijze beweging van een deel van de aardkorst langs een breuk of een plaatgrens.
- aardkorst
- De vaste buitenste laag van de aarde, die is opgebroken in platen die ten opzichte van elkaar bewegen. De aardkorst bestaat uit continentale en oceanische korst.
- aardverschuiving
- Het door de zwaartekracht naar beneden glijden van een met water verzadigde verweringslaag.
- actualiteitsprincipe
- Het uitgangspunt dat natuurkundige processen die nu plaatsvinden in het verleden op dezelfde manier plaatsvonden.
- aride zone
- Landschapszone met het woestijn- en steppeklimaat (BW en BS), met woestijnplanten (BW) en steppe grassen (BS) als natuurlijke vegetatie.
- atmosferische circulatie
- Luchtstromingen in de atmosfeer die zorgen voor de verplaatsing van warmte en kou over de aarde.
- basalt
- Stollingsgesteente waaruit oceanische korst is opgebouwd en dat in gesmolten toestand gemakkelijk vloeit. Tijdens vulkaanuitbarstingen stolt basalt snel, waardoor het uit kleine kristallen bestaat. Krimpscheuren veroorzaken vijf- of zeshoekige zuilen in het basalt.
- bekken
- Dalingsgebied, zoals een slenk of riftvallei, waarin zich sedimenten ophopen.
- bodem (geofactor)
- Het bovenste deel van de grond, waar planten hun voedingsstoffen uit halen. Bodem staat in de rangorde van de geofactoren boven planten- en dierenwereld.
- bodemerosie
- Het opnemen en afvoeren van gronddeeltjes aan de bovenkant van de bodem door wind of water. Zie ook: versnelde bodemerosie.
- boreale zone
- De landschapszone op koude gematigde breedte met het D-klimaat, met naaldbos (taiga) als natuurlijke vegetatie.
- caldera
- Komvormige diepte die ontstaat wanneer, na een explosieve eruptie, de lege magmakamer instort. Een caldera kan ook ontstaan doordat de top van de vulkaan door de eruptie wordt weggeblazen.
- chemische verwering
- Het in kleinere stukken breken van een gesteente, waarbij het gesteente van samenstelling verandert doordat er een chemische reactie plaatsvindt tussen het gesteente en (stoffen) in water.
- convergente plaatgrens
- Grens tussen twee naar elkaar toe bewegende platen.
- delta
- Vlakte monding van een rivier, vaak in de vorm van een driehoek. Een delta ontstaat wanneer een rivier meer sediment aanvoert dan er door getijdenwerking afgevoerd wordt. De rivier vult dan zijn eigen bedding op met sedimenten en verlegt telkens zijn loop, waardoor de vertakkingen ontstaan.
- divergente plaatgrens
- Grens tussen twee uit elkaar bewegende platen.
- drainage
- Het doorspoelen van de bodem met zoet water en het afvoeren van dat water om zouten uit de bodem te verwijderen. Drainage wordt toegepast in de irrigatielandbouw in de aride en subtropische zones.
- duurzaam landgebruik
- Benutting van het land die niet ten koste gaat van de behoeften van de natuur en toekomstige generaties.
- effusieve eruptie
- Relatief rustige uitbarsting die veroorzaakt wordt door magma met een lage viscositeit en een lage gasdruk. Effusieve erupties ontstaan vooral bij divergente plaatgrenzen en hotspots.
- erosie
- Het uitschuren en verplaatsen van een gesteente door de schurende werking van water, wind of ijs met behulp van verweringsmateriaal.
- explosieve eruptie
- Heftige uitbarsting die veroorzaakt wordt door magma met een hoge viscositeit en een hoge gasdruk. Explosieve erupties ontstaan vooral bij subductie van oceanische korst onder continentale korst.
- fysische verwering
- en gesteente wordt in steeds kleinere stukken gebroken, zonder dat de samenstelling verandert. Dit kan gebeuren doordat plantenwortels door het gesteente heen groeien, doordat het gesteente krimpt en uitzet door temperatuurverschillen of doordat water in spleten van het gesteente uitzet door bevriezing. Fysische verwering wordt ook mechanische verwering genoemd.
- gebergtevorming
- Opheffing van stukken aardkorst door samendrukking of rek. Samendrukking vindt plaats op plekken waar aardplaten op elkaar botsen, waardoor plooiingsgebergten ontstaan. Bij rek worden delen van de aardkorst gebroken en/
of uit elkaar getrokken. Daardoor kunnen horsten, slenken, rift schouders en riftvalleien ontstaan. - gematigde zone
- Landschapszone op koele gematigde breedte met het Cf- en Df-klimaat, met zomergroen loofbos als natuurlijke vegetatie.
- geofactoren
- De factoren die samen een landschap vormen: klimaat en lucht, gesteente en reliëf, (grond)water, bodem, planten- en dierenwereld en de mens. De invloed van geofactoren op elkaar zit aan rangorde. Het klimaat heeft de hoogste positie in die rangorde.
- geologische tijdschaal
- Indeling van de 4,6 miljard durende geschiedenis van de aarde in vier grote tijdperken en meerdere perioden.
- gesteente en reliëf (geofactor)
- Na klimaat de belangrijkste geofactor. Bepaalt sterk de stroming van water, de hoeveelheid neerslag en de eigenschappen van de bodem.
- gesteentekringloop
- De overgangen van de verschillende soorten gesteenten (stollingsgesteenten, sedimentgesteenten en metamorfe gesteenten) in elkaar als gevolg van smelten, stollen, verwering, erosie, hitte en druk.
- graniet
- Diep onder het aardoppervlak afgekoeld stollingsgesteente, met grote kristallen van verschillende mineralen. Continentale korst bestaat voornamelijk uit graniet.
- (grond)water (geofactor)
- Geofactor die de werking van het landschap mede bepaalt. Water is een belangrijke factor bij erosie, transport en sedimentatie. In de bodem is water belangrijk als transporteur van voedingsstoffen naar planten. Ook is het leefmilieu voor waterorganismen.
- hogeluchtdrukgebied
- Gebied aan het aardoppervlak met relatief veel lucht door een dalende luchtbeweging. Wordt gekenmerkt door een wolkeloze hemel en droogte. Lucht stroomt vanuit hogedrukgebieden naar lagedrukgebieden toe.
- horsten
- Vaak langgerekte stukken aardkorst naast een slenk, die door opverend mantelgesteente omhooggekomen zijn.
- hotspot
- Plek boven een mantelpluim waar vulkanisme voorkomt. De hitte van de mantelpluim verzwakt de aardkorst. Hierdoor kunnen breuken in de aardkorst ontstaan, waardoor magma aan het oppervlak komt.
- hydrologische kringloop
- De verplaatsingen van water over de aarde en in de atmosfeer.
- Intertropische Convergentiezone (ITCZ)
- Het gebied met lage druk in de tropen waar de instraling van de zon het sterkst is. De stijgende lucht zorgt hier voor veel neerslag (stijgingsregens). De ITCZ verplaatst met de loodrechte zonnestand. Deze verplaatsing gaat sneller/
verder boven land dan boven zee, omdat land sneller opwarmt. - irrigatie
- Kunstmatige bevloeiing of beregening van het land.
- kalksteen
- Sedimentgesteente dat ontstaat doordat kalk neerslaat uit water of door de opstapeling en samendrukking van zeeorganismen die een kalkskelet hebben.
- klimaat en lucht (geofactor)
- Klimaat is de belangrijkste geofactor. Het klimaat is het gemiddelde van de weersverschijnselen (zoals temperatuur en neerslag) in een gebied over een langere periode (dertig jaar).
- klimaten volgens Köppen
- Indeling van het wereldklimaat in verschillende klimaten door Köppen. Deze indeling is gebaseerd op de verschillende natuurlijke landschappen op aarde: elk type plantengroei stelt zijn eigen eisen aan de hoogte van de temperatuur en de hoeveelheid vocht die aanwezig moet zijn.
- koude zeestroom
- Zeestroom die afgekoeld water van hogere breedten richting de (sub)tropen vervoert.
- lagedrukgebied
- Gebied aan het aardoppervlak met relatief weinig lucht door een opstijgende luchtbeweging. Wordt gekenmerkt door wolkenvorming en neerslag. Lucht stroomt vanuit hogedrukgebieden naar lagedrukgebieden toe.
- landdegradatie
- Alle veranderingen in het landschap die het vermogen van de bodem verminderen om het natuurlijke ecosysteem in stand te houden, of om gewassen en andere natuurlijke hulpbronnen te produceren. Door landdegradatie wordt de bodem te arm, te droog, te nat of te zout om planten goed te laten groeien.
- landschapszones
- Grote gebieden die wat de spreiding betreft overeenkomen met de klimaatgebieden en die door de wisselwerking tussen klimaat, plantengroei, bodem en water een eenheid vormen.
- leisteen
- Metamorf gesteente dat onder invloed van hitte en hoge druk ontstaat uit schalie.
- mantel
- Laag van de aarde die zich tussen de aardkern en de aardkorst bevindt. Het gesteente in de mantel is door de hoge temperatuur een beetje stroperig en kan daardoor heel langzaam bewegen.
- marmer
- Metamorf gesteente dat onder invloed van hitte en hoge druk ontstaat uit kalksteen.
- massabeweging
- Bewegingen (vallen, vloeien of glijden) die ontstaan door de invloed van de zwaartekracht op het verweringsmateriaal dat op een helling ligt.
- mechanische verwering
- Een gesteente wordt in steeds kleinere stukken gebroken, zonder dat de samenstelling verandert. Dit kan gebeuren doordat plantenwortels door het gesteente heen groeien, doordat het gesteente krimpt en uitzet door temperatuurverschillen of doordat water in spleten van het gesteente uitzet door bevriezing. Mechanische verwering wordt ook fysische verwering genoemd.
- mens (geofactor)
- Geofactor met een aparte positie in het landschap. Vaak beïnvloedt de mens de andere geofactoren.
- metamorf gesteente
- Gesteente dat in de aardkorst door hitte en/
of hoge druk is omgezet uit een ander gesteente. - (mid)oceanische rug
- Bergketen van vulkanen op de bodem van de oceaan, op de grens van twee divergerende platen.
- moesson
- Een passaat waarbij sprake is van een halfjaarlijkse omkering van de windrichting. Dit zorgt in de zomer voor een natte moesson (verhitting en lage luchtdruk) en in de winter voor een droge moesson (afkoeling en hoge luchtdruk).
- momentmagnitudeschaal
- Schaal die de kracht van aardbevingen aangeeft. Deze schaal is gebaseerd op de hoeveelheid energie die bij een aardbeving vrijkomt (de magnitude). Elk punt hoger op de schaal betekent dat er 10^1,5 (= 31,6) keer zoveel energie vrijkomt.
- mondiale windsystemen
- Luchtstromingen in de atmosfeer die zorgen voor de verplaatsing van warmte en kou over de aarde. Wordt ook atmosferische circulatie genoemd.
- morene
- Opeenhoping van puin, als gevolg van sedimentatie door een gletsjer.
- oceanische circulatie
- Het stromingspatroon van het zeewater in de oceanen. Wordt vooral bepaald door de mondiale windsystemen en de ligging van de continenten.
- ontbossing
- Het verdwijnen van bos door houtkap voor economische doeleinden of om land te winnen voor landbouw of andere menselijke behoeften.
- overbeweiding
- Verdwijnen van de vegetatie door te intensieve begrazing door vee.
- passaat
- Constant waaiende wind aan het aardoppervlak van de subtropische hogedrukgebieden rond de 35e breedtegraad (NB en ZB) naar de Intertropische Convergentiezone (ITCZ) rond de evenaar.
- planten- en dierenwereld (geofactor)
- Geofactor die de werking van het landschap mede bepaalt. Planten kunnen onder meer de bodem vasthouden, maar ook (biologische) verwering veroorzaken. Dieren kunnen onder meer door vraat de vegetatie aantasten, of juist voor de verspreiding van zaden zorgen.
- platentektoniek
- Het systeem van bewegingen van de platen van de aardkorst: de platen kunnen op elkaar botsen, uit elkaar bewegen en langs elkaar schuiven.
- plooiingsgebergte
- Opgeheven, geplooide stukken aardkorst, die ontstaan bij een convergerende plaatbeweging.
- polaire zone
- Landschapszone op hoge breedte met het ET- of EF-klimaat, met toendraplanten (ET-klimaat) of (korst)mossen (EF-klimaat) als natuurlijke vegetatie.
- puinhelling
- Een verzameling losse stukken steen die in een gebergte naar beneden zijn gekomen en aan de voet van een gesteentewand liggen.
- puinwaaier
- Kegelvormige afzetting van grof materiaal dat neergelegd is door een rivier op de grens van een berghelling en een vlakte, doordat de rivier zijn bedding opvult met puin en zich daardoor telkens verplaatst.
- rek
- Spanning in de aardkorst die ervoor zorgt dat delen van de aardkorst breken en/
of uit elkaar worden getrokken. Daardoor kunnen horsten, slenken, rift schouders en riftvalleien ontstaan. - ridge push
- Kracht die op divergerende oceanische platen wordt uitgeoefend, doordat ze van midoceanische ruggen afglijden.
- riftschouders
- Langgerekte stukken aardkorst naast een riftvallei, die door opverend mantelgesteente omhooggekomen zijn.
- riftvallei
- Langgerekte laagte, die ontstaat doordat twee stukken aardkorst uit elkaar bewegen.
- schildvulkaan
- Brede vulkaan met een flauwe helling, die ontstaat door effusieve erupties.
- sedimentatie
- Het neerleggen van materiaal (sedimenten) door water, wind of ijs.
- sedimentgesteente
- Gesteente dat ontstaat doordat verweringsmateriaal wordt neergelegd door water, wind of ijs en daarna door opstapeling wordt samengedrukt.
- slab pull
- Trekkracht die ontstaat bij de subductie van oceanische platen, doordat de zwaartekracht ze naar beneden trekt.
- slenk
- Vallei die ontstaat doordat delen van de aardkorst langs langgerekte breuken naar beneden zijn gezakt.
- stollingsgesteente
- Gesteente dat ontstaat door het afkoelen en stollen van vloeibaar gesteente (magma of lava).
- stratovulkaan
- Kegelvormige vulkaan met vrij steile hellingen, die ontstaat door explosieve erupties. Een stratovulkaan bestaat uit afwisselende lagen gestolde lava en los materiaal.
- subductie
- Proces waarbij een oceanische plaat onder een andere plaat met een lagere dichtheid duikt.
- subtropische zone
- Landschapszone in de warme gematigde zone (subtropen), met een Middellandse Zeeklimaat (Cs) en altijdgroene mediterrane vegetatie, of een Cw-klimaat met grassen en zomergroen loofbos.
- transforme plaatgrens
- Grens tussen twee (delen van) platen die langs elkaar bewegen.
- transport
- Vervoer van verweringsmateriaal door water, wind, ijs of de zwaartekracht.
- trog
- Een langgerekte kloof in de oceaan, die ontstaat bij subductie en die de grens vormt tussen de twee convergerende platen.
- tropische zone
- Landschapszone in de tropen met een A-klimaat (Af- of Aw-klimaat), met als natuurlijke vegetatie tropisch regenwoud, moessonbos of savanne.
- tsunami
- Reeks zeegolven die de kust met grote kracht overspoelen en die veroorzaakt worden door een zware aardbeving, aardverschuiving of vulkanische uitbarsting in zee.
- versnelde bodemerosie
- Bodemerosie die door de mens versneld wordt, bijvoorbeeld door het kappen van bomen of het weghalen van begroeiing.
- verwering
- Het in stukken breken van een gesteente door exogene processen.
- verwoestijning
- Een ernstige vorm van landdegradatie waarbij in een gebied door natuurlijke of menselijke oorzaken steeds minder planten en gewassen groeien en waarbij het gebied steeds meer woestijnachtige kenmerken krijgt.
- verzilting
- Toename van de concentratie aan zouten in en op de bodem, vaak het gevolg van het verdampen van irrigatiewater. De in het irrigatiewater opgeloste zouten slaan bij verdamping neer.
- viscositeit
- Stroperigheid van magma. Magma met een lage viscositeit is dun en kan gemakkelijk aan het oppervlak komen. Magma met een hoge viscositeit is dik en taai en komt snel vast te zitten, waardoor er veel druk in opgebouwd kan worden.
- vulkanisme
- Verzamelnaam voor alle verschijnselen aan het aardoppervlak die te maken hebben met de nabijheid van magma.
- warme zeestroom
- Zeestroom die opgewarmd water uit de (sub)tropen naar hogere breedten vervoert.
- wet van Buys Ballot
- Wind stroomt van hoge druk naar lage druk en heeft (met de wind in de rug) op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links.
- zandsteen
- Sedimentgesteente dat ontstaat doordat losse zandkorrels samengedrukt worden door de bovenliggende sedimenten en aan elkaar gaan plakken.