2.1 Opbouw van de aarde en platentektoniek
Publiek
Woorden in deze lijst (16)
Origineel
- Aardkern
- Het middelste gedeelte van de aarde, bestaande uit een vaste binnenkern van nikkel en ijzer en een vloeibare buitenkern.
- Aardmantel
- De laag om de aardkern die grotendeels uit taai-vloeibaar gesteente bestaat dat wordt verwarmd door de hitte in de kern.
- Aardkorst
- De vaste buitenkant van de aarde die samen met het buitenste gedeelte van de aardmantel is afgekoeld.
- Oceanische korst
- De gemiddeld acht kilometer dikke oceaanbodem die voornamelijk uit het vrij zware gesteente basalt bestaat.
- Basalt
- Een relatief zwaar gesteente waaruit de oceanische korst voor het grootste deel is opgebouwd.
- Continentale korst
- Het 40 tot 80 kilometer dikke deel van de aardkorst waaruit continenten bestaan en dat is opgebouwd uit licht gesteente zoals graniet.
- Graniet
- Een relatief licht gesteente waaruit de dikke continentale korst voornamelijk is opgebouwd.
- Convergente plaatgrenzen
- Gebieden waar aardplaten naar elkaar toe bewegen.
- Subductie
- Het proces waarbij de zwaardere oceanische korst bij een botsing schuin de mantel in duikt.
- Trog
- Een diepe sleuf in de zeebodem die ontstaat op de plek waar een aardplaat de diepte in duikt.
- Divergente plaatgrenzen
- Gebieden waar twee aardplaten uit elkaar bewegen.
- Transforme plaatgrenzen
- Gebieden waar twee aardplaten langs elkaar heen bewegen.
- Actualiteitsprincipe
- Het idee dat natuurlijke processen in het verleden op dezelfde manier verliepen als tegenwoordig.
- Midoceanische rug
- Een langgerekte keten van vulkanen op de oceaanbodem die ontstaat door het uit elkaar bewegen van aardplaten.
- Ridge push
- Het proces waarbij de jonge oceanische korst door haar eigen gewicht de rest van de aardplaat zijdelings wegduwt vanaf de rug.
- Slab pull
- De voornaamste motor achter de platentektoniek waarbij het gewicht van de wegzakkende oceaanbodem de rest van de plaat achter zich aan trekt.