In balans - goed kiezen
Publiek
Woorden in deze lijst (30)
Origineel
- Betalingsbereidheid
- het maximum geldbedrag dat je als vrager zou kunnen betalen om een goed te verkrijgen zonder dat je er in welvaart op achteruitgaat (zijn welvaartsprijs als vrager).
- Budgetrestrictie
- het geld dat je uitgeeft wordt beperkt door het geld dat je ontvangt.
- Complementaire goederen
- goederen die samen meer waarde opleveren dan apart.
- Consumentensurplus
- het welvaartssurplus van een consument die producten koopt op de productmarkt.
- Goederen
- alle dingen, diensten of ervaringen waar iemand waarde aan hecht.
- Immateriële welvaart
- de welvaart die je ontleent aan schaarse goederen die niet op de markt te koop zijn, de zogenoemde niet-verhandelbare goederen.
- Individuele aanbodcurve
- een curve die aangeeft aan hoe de hoeveelheid die een individuele aanbieder aanbiedt afhangt van de markprijs. De aangeboden hoeveelheid staat daarbij op de horizontale as en de marktprijs op de verticale as.
- Individuele vraagcurve
- een curve die aangeeft aan hoe de hoeveelheid die een individuele vrager vraagt (op de horizontale as) afhangt van de marktprijs (op de verticale as). De aangeboden hoeveelheid staat daarbij op de horizontale as en de marktprijs op de verticale as.
- Kosten
- de goederen die je opgeeft.
- Leveringsdrempel
- het minimum geldbedrag dat je als aanbieder zou moeten ontvangen om een goed op te geven zonder dat je er in welvaart op achteruitgaat (zijn welvaartsprijs als aanbieder).
- Materiële welvaart
- de welvaart die je ontleent aan alle goederen die op de markt te koop zijn, de zogenoemde verhandelbare goederen.
- Marginale waarde
- de waarde van één eenheid extra van een goed.
- Marktloon
- de ruilvoet tussen geld en opgeofferde arbeidstijd op de arbeidsmarkt.
- Marktprijs
- de ruilvoet tussen geld en een goed op de markt.
- Opbrengsten
- de goederen die je verkrijgt.
- Opofferingskosten
- de opbrengsten van de meest waardevolle activiteit die je door je keuze opgeeft.
- Prijs
- de ruilvoet tussen de rekeneenheid en een goed.
- Productiefactoren
- goederen die worden gebruikt om producten voort te brengen. Denk daarbij aan arbeid, ondernemerschap of natuur.
- Rationele keuze
- de keuze die je welvaart zo groot mogelijk maakt.
- Rekeneenheid
- maat waarmee je de ruilvoeten van verschillende goederen vergelijkt.
- Ruilmiddel
- middel waarmee je kunt ruilen om een goed te verkrijgen van iemand anders.
- Ruilvoet
- de ruilverhouding tussen de kosten van het goed dat je opgeeft en de opbrengsten van het goed dat je krijgt.
- Schaarse goederen
- goederen die je alleen kunt krijgen of behouden door er iets anders waardevols voor op te geven.
- Substitutiegoed
- een goed dat in dezelfde behoefte voorziet als een ander goed.
- Surplus
- het verschil tussen alle opbrengsten en alle kosten uitgedrukt in de rekeneenheid geld.
- Vrije goederen
- goederen die je kunt krijgen of behouden zonder dat je er iets anders waardevols voor hoeft te geven.
- Wederkerigheid
- het ontvangen van het ene goed gaat samen met het opgeven van een ander goed.
- Welvaart
- de som van alle goedheid die je ontleent aan schaarse goederen.
- Welvaartsprijs
- het geldbedrag dat het effect op je welvaart van het ruilen van een extra eenheid van een goed precies compenseert.
- Werknemerssurplus
- het welvaartssurplus van een werknemer die arbeid aanbiedt op de arbeidsmarkt.