Welke begrippen moet je kennen?
Publiek
Woorden in deze lijst (91)
Origineel
- aanslibbingskust
- Kust waar meer zand en klei wordt aangevoerd dan afgevoerd.
- aardkorst
- Dunne laag gesteente aan de buitenkant van de aarde, met een dikte van gemiddeld 7 km onder oceanen en 30 km onder continenten.
- afbraakkust
- Kust waarbij het wegslagen van materiaal overheerst.
- afzetting
- Zie sedimentatie.
- atmosfeer
- Luchtlaag rondom de aarde. Heet ook dampkring.
- benedenloop
- Het laatste stuk van een rivier, dicht bij de zee.
- biosfeer
- Het leven op aarde: planten, dieren, mensen.
- bovenloop
- Het eerste stuk van een rivier, dicht bij de bron.
- branding
- De breking van golven in ondiep water (aan de kust).
- breuk
- Barst of scheur in de aardkorst.
- chemische verwering
- Verwering waarbij de samenstelling van het gesteente verandert.
- debiet
- De hoeveelheid water die op een bepaald punt door de rivier stroomt, uitgedrukt in m3 per seconde.
- delta
- Gebied vlak voor de monding, waar de rivier zich vertakt in veel rivierlopen.
- doline
- Ronde kuil van soms wel tientallen meters in omtrek, ontstaan door de oplossing van kalksteen.
- druipsteengrot
- Grot die ontstaan is door de oplossing van kalk.
- dwarsprofiel
- Doorsnede die laat zien hoe diep en breed een rivier is.
- eindmorene
- Verpulverd materiaal dat een gletsjer voor zich uit heeft geschoven.
- endogene kracht
- Kracht die van binnenuit de aardkorst verandert.
- erosie
- Het uitschuren en afschuren van hard gesteente door met verweringsmateriaal geladen water, ijs of wind.
- exogene kracht
- Kracht die van buitenaf de aardkorst verandert.
- firn
- Korrelige, overjarige en ijsachtige sneeuw.
- firnbekken
- Verzamelbekken van overjarige sneeuw, hoog in de bergen.
- fossiel
- Versteende afdruk van een plant of dier in de aardkorst.
- gemengde rivier
- Rivier die behalve regenwater ook smeltwater van gletsjers afvoert.
- geoFactor
- Factor die mede het landschap bepaalt.
- geologie
- Wetenschap die zich bezighoudt met het ontstaan en de veranderingen van de aardkorst.
- geologische tijdschaal
- Indeling van de geschiedenis van de aarde in verschillende tijdvakken, gebaseerd op belangrijke veranderingen in gesteenten, het klimaat en het leven op aarde.
- gesteentekringloop
- Proces waarbij gesteenten door geologische processen (erosie, verwering, sedimentatie en gesteentevorming) telkens worden afgebroken en omgevormd.
- glaciaal
- Koude periode waarin de gemiddelde temperatuur op aarde een paar graden daalde en waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormden. Heet ook ijstijd.
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
- gletsjerpoort
- De plek waar het smeltwater van een gletsjer uit de gletsjer stroomt.
- gletsjerrivier
- Rivier die smeltwater van een gletsjer voert.
- gletsjertunnel
- Tunnel die onder een gletsjer ontstaat als zich daar veel smeltwater verzamelt.
- golf
- Rimpel in het water die meestal wordt veroorzaakt door de wind die over het wateroppervlak waait.
- grondmorene
- Sediment dat onder het ijs ligt en dat achterblijft als de gletsjer smelt.
- heuvelland
- Gebied met een hoogte ligging van tussen de 200 m en 500 m.
- hoefijzermeer
- Meer dat is gevormd door de afsnijding van een meander van een rivier.
- hogedrukgebied
- Gebied met dalende lucht, veel zon en weinig bewolking.
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m.
- horst
- Een langs een breukvlak liggend deel van het aardoppervlak dat minder naar beneden is gezakt dan de slenk.
- hydro-elektriciteit
- Elektriciteit die wordt opgewekt door waterkracht.
- hydrosfeer
- Het water op aarde.
- ijstijd
- Zie glaciaal.
- infiltratie
- Het wegzakken van water in de grond.
- interglaciaal
- Periode tussen twee ijstijden in waarin het klimaat enkele graden opwarmt.
- isobaar
- Lijn op een kaart die punten met een gelijke luchtdruk met elkaar verbindt.
- jong gebergte
- Gebergte dat 'pas' enkele tientallen miljoenen jaar oud is.
- karstlandschap
- Landschapsvorm die ontstaat door het oplossen van kalk in water.
- klifkust
- Steile kust die ontstaat doordat de zee de onderkant afbrokkelt en afkalft.
- klimaatverandering
- Geleidelijke of abrupte verandering in het klimaat door natuurlijke processen en/
of invloed van de mens. - kustduin
- Heuvel die is ontstaan doordat de wind zand op een hoop heeft geblazen.
- kusterosie
- Afbraak van de kustlijn door de invloed van getijden, golven en stromingen.
- laagland
- Gebied met een hoogte ligging lager dan 200 m.
- lagedrukgebied
- Gebied met stijgende lucht, vaak met bewolking en/
of regen. - lengteprofiel
- Doorsnede van een rivier van bron tot monding.
- meander
- Natuurlijke bocht in een rivier.
- mechanische verwering
- Het uiteenvallen van het gesteente waarbij de samenstelling van het gesteente niet verandert.
- metamorf gesteente
- Stollings- of sedimentgesteente dat onder invloed van hoge druk of temperatuur andere eigenschappen heeft gekregen.
- middelgebergte
- Berggebied waar de meeste toppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
- middenloop
- Deel van de rivier tussen de boven- en de benedenloop in.
- neerslag
- Water dat in vaste (sneeuw, hagel) of vloeibare (regen, mist) vorm uit de dampkring op aarde neerkomt.
- oud gebergte
- Gebergte dat enkele honderden miljoenen jaren oud is.
- overtourisme
- Als er te veel toeristen tegelijk op één plek komen, waardoor de omgeving, bewoners of natuur daar last van krijgen.
- plaat
- Stuk van de aardkorst. Heet ook schol.
- plooingsgebergte
- Gebergte dat is ontstaan door plooiing van stukken van de aardkorst.
- regenrivier
- Rivier die helemaal afhankelijk is van regenwater.
- regiem
- Schommelingen in de waterafvoer van een rivier in de loop van een jaar.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- rivier
- Een natuurlijke waterloop die water afvoert uit een gebied.
- schol
- Zie plaat.
- sediment
- Meegevoerd zand- en kleideeltjes die bezinken. Heet ook afzettingsmateriaal.
- sedimentatie
- Afzetting van materiaal dat is meegenomen door water, wind of ijs. Heet ook afzetting.
- sedimentgesteente
- Gesteente dat is ontstaan uit materiaal dat is aangevoerd door ijs, water of wind.
- slenk
- Een langs een breukvlak omlaag gezakt deel van de aardkorst.
- stalactiet
- Druipsteen in een grot, gevormd uit kalk en afgezet in de vorm van een hangende pegel.
- stalagmiet
- Druipsteen in een grot, gevormd uit kalk en afgezet in de vorm van een staande pilaar.
- stollingsgesteente
- Gesteente dat is ontstaan door de stolling van magma of lava.
- strandwal
- Langgerekt hoger gelegen gebied (een rug) evenwijdig aan de waterlijn.
- stroomgebied
- Het gebied dat afwatert op de hoofdrivier van een stroomstelsel.
- stroomstelsel
- Rivier met alle zijrivieren en vertakkingen die deel uitmaken van hetzelfde stroomgebied.
- U-dal
- Dal dat de vorm van een U heeft en is ontstaan door de uitschurende werking van een gletsjer.
- V-dal
- Dal dat de vorm van een V heeft en is ontstaan door de uitschurende werking van een rivier.
- verhang
- Het verval per kilometer.
- vertragingstijd
- Tijd die verstrijkt tussen het tijdstip waarop de neerslag ergens in het stroomgebied valt en het moment waarop het waterpeil in de rivier gaat stijgen.
- verval
- Hoogteverschil tussen twee plaatsen aan een rivier.
- verwering
- Het uiteenvallen van gesteente onder invloed van weer en plantengroei.
- verwerkingsmateriaal
- Puin dat ontstaat bij verwering.
- vorstverwering
- Vorm van mechanische verwering waarbij het gesteente door bevriezen en ontdooien uiteenvalt.
- wadendkust
- Gebied met aan de zeekant eilanden met zeegaten ertussen, waarin tijdens eb grote oppervlakken droogvallen en die tijdens vloed overstromen.
- waterscheiding
- Grens tussen twee stroomgebieden.
- zijmorene
- Gletsjerpuin aan de zijkant van een gletsjer.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–