Informerende tekst
Publiek
Woorden in deze lijst (15)
Origineel
- 5W+1H-vragen
- De vragen wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe die je beantwoordt om informatie over een onderwerp te verzamelen.
- Woordweb
- Een schema waarin je woorden rondom een centraal onderwerp verzamelt om ideeën op te doen voor een tekst.
- Schrijfplan
- Een overzicht waarin je de opbouw van je tekst en de informatie per alinea vastlegt voordat je gaat schrijven.
- Inleiding
- Het eerste deel van een tekst waarin je het onderwerp noemt, de hoofdgedachte vermeldt en de deelonderwerpen aankondigt.
- Hoofdgedachte
- De belangrijkste boodschap van een tekst, meestal geformuleerd in één zin.
- Deelonderwerp
- Een specifiek onderdeel van het hoofdonderwerp dat in een aparte alinea wordt uitgewerkt.
- Middenstuk
- Het gedeelte van een tekst tussen de inleiding en het slot, bestaande uit alinea's over verschillende deelonderwerpen.
- Kernzin
- De belangrijkste zin van een alinea waarin de hoofdzaak wordt genoemd.
- Hoofdzaak
- De belangrijkste informatie of de kern van de boodschap in een alinea.
- Bijzaken
- De zinnen in een alinea die uitleg, toelichting of voorbeelden geven bij de hoofdzaak.
- Objectieve taal
- Zakelijk taalgebruik dat gebaseerd is op feiten en niet op persoonlijke meningen.
- Publiek
- De doelgroep voor wie de tekst geschreven is en met wie de schrijver rekening houdt.
- Slot
- Het laatste deel van een tekst waarin een korte samenvatting wordt gegeven en de hoofdgedachte wordt herhaald.
- Tussenkopjes
- Korte titels boven alinea's in het middenstuk die aangeven waar de alinea over gaat.
- Verwijswoorden
- Woorden die verwijzen naar iets wat al eerder in de tekst genoemd is, zoals een woord, een groepje woorden of een zin.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–