Begrippenlijst biologie
Publiek
8
Woorden in deze lijst (51)
Origineel
- Stofwisseling
- Alle chemische (scheikundige) reacties in een organisme
- Organismen
- Levende wezens zoals planten,dieren,schimmels en bacteriën
- Soort
- Organismen die zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen voortbrengen
- Levenscyclus
- Alle individuen van een soort doorlopen tijdens hun levensloop dezelfde fasen of stadia (ei, rups (larve),pop, volwassen dier
- DNA
- Molecuul dat de erfelijke informatie van een organisme bevat
- cel
- Een grotere biologische eenheid en een hoger organisatieniveau dan een molecuul; alle organismen bestaan uit een of meer cellen
- Organellen
- Onderdelen van een cel met een bepaalde functie
- weefsel
- Een groep cellen met dezelfde vorm en functie
- orgaan
- Deel van een organisme met een specifieke bouw en functie
- orgaanstelsel
- Aantal organen dat samen een bepaalde functie uitoefent
- populatie
- Groep individuen van dezelfde soort die in een bepaald gebied leeft en zich onderling voortplant
- levensgemeenschap
- alle verschillende populaties die in een gebied samenleven
- ecosysteem
- Min of meer begrensd gebied met bepaalde eigenschappen. Zowel de levende als de niet-levende natuur in dat gebied maakt deel uit van het ecosysteem
- tussencelstof
- Bij veel weefsels liggen de cellen niet direct tegen elkaar aan, maar komt tussencelstof voor. Het soort tussencelstof hangt samen met de functie van het weefsel
- celmembraan
- Buitenste laag van een cel die het inwendige van de cel, het cytoplasma (celplasma), scheidt van het milieu buiten de cel
- Cytoplasma (celplasma)
- Inhoud van de cel die bestaat uit het grondplasma met daarin allerlei organellen, ook celplasma genoemd
- celkern
- Organel in het cytoplasma dat omsloten is door het kernmembraan en DNA bevat
- vacuole
- blaasje gevuld met vacuolevocht in het cytoplasma; veel plantaardige cellen bevatten een grote centrale vacuole
- Plastiden
- Organellen in plantaardige cellen waarvan verschillende typen bestaan: bladgroenkorrels, chromoplasten en leukoplasten
- bladgroenkorrels
- Plastiden die groene kleurstoffen bevatten, ook chloroplasten genoemd
- bladgroen
- Groene kleurstoffen in chloroplasten
- celwand
- Stevig laagje om een plantaardige cel heen dat niet tot de cel behoort (is tussencelstof)
- Chromosomen
- Lange moleculen DNA
- Erfelijke eigenschappen
- informatie die de bouw en functie van een cel bepaalt
- Endoplasmatisch reticulum
- Een uitgebreid netwerk van membranen die holten en kanaaltjes vormen dat zich in het cytoplasma bevindt
- Ruw endoplasmatisch reticulum
- Endoplasmatisch reticulum waarbij zich ribosomen op de membranen bevinden
- Ribosomen
- Kleine bolvormige organellen die eiwitten produceren met behulp van de informatie die is vastgelegd in het DNA
- Golgisysteem
- Opeengestapelde platte membranen in het cytoplasma waarin eiwitten worden bewerkt totdat ze hun definitieve vorm hebben
- Exocytose
- Afsnoeren van blaasjes door het celmembraan om stoffen naar buiten de cel te transporteren
- Lysosomen
- Afgesnoerde blaasjes van het golgisysteem met eiwitten (enzymen) die in de cel blijven; na versmeltingmet een ander blaasje kunnen de enzymen de eiwitten in dit blaasje verteren
- enzymen
- Eiwitten die stoffen kunnen afbreken
- Mitochondriën
- Bolvormige organellen met dubbele membranen waarin met behulp van zuurstof energie wordt vrijgemaakt die tijdelijk is opgeslagen in ATP
- ATP
- Moleculen die worden gemaakt in de mitochondriën en de belangrijkste energieleverancier zijn voor processen in de cel
- Glucose
- Een vorm van suiker
- Fosfolipiden
- Een fosfolipidemolecuul is een vetachtige stof
- Celmembraaneiwitten
- Eiwitten in het celmembraan; spelen vaak een rol bij het transporteren van stoffen in en uit de cel
- Trilhaar
- Een lange zweephaar die een functie kan hebben bij de voortbeweging van een cel of bij de verplaatsing van stoffen langs de cel
- Endocytose
- Het afsnoeren van blaasjes door het celmembraan om stoffen in de cel op te nemen
- Endosoom
- Blaasje dat zich afsnoert van het celmbembraan
- Diffusie
- Verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie van die stof
- Semipermeabel of selectief permeabel
- Een membraan waar kleine moleculen wel doorheen kunnen, maar grote moleculen niet
- Osmose
- Diffusie van water door een semipermeabel membraan
- Transporteiwitten
- eiwitten die specifieke moleculen binden en die in en uit de cel kunnen transporteren
- actief transport
- transport waarvoor energie nodig is
- osmotische waarde
- de concentratie aan opgeloste stoffen van een oplossing
- turgor
- de druk op de celwand in een plantaardige cel
- passief transport
- transport waarvoor geen energie nodig is
- hypotoon
- een oplossing waarvan de osmotische waarde lager is dan de osmotische waarde van een cel
- plasmolyse
- het loslaten van het celmembraan van de celwand
- hypertoon
- een oplossing waarvan de osmotische waarde hoger is dan de osmotische waarde van een cel
- isotoon
- een oplossing waarvan de osmotische waarde gelijk is aan de osmotische waarde van een cel
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–